Bestuursprocesrecht
BNT WOO niet-ontvankelijk
Rechtbank Midden-Nederland, 12 februari 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:3714 · Rechtbank Midden-Nederland · 12 februari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/bestuursprocesrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2026-3714
Zaakgegevens
Op 12 februari 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 12 februari 2026
- Datum publicatie
- 26 juni 2026
- Zaaknummer
- UTR 25/4258
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:3714
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
BNT WOO niet-ontvankelijk
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4258
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 februari 2026 in de zaak tussen
Vereniging de Doornse Golf Club, uit Doorn, eiseres
(gemachtigde: mr. E.H.M. Teeuw),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend op 17 juli 2025 omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar vier verzoeken om informatie, allemaal van 28 februari 2025, op grond van de Wet open overheid (Woo).
Op 7 januari 2026 heeft verweerder alsnog een besluit genomen op het verzoek van eiseres.
Eiseres heeft op 26 januari 2026 een aanvullend beroepschrift ingediend.
Verweerder heeft op 29 januari 2026 hierop schriftelijk gereageerd.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
2. Eiseres heeft beroep ingesteld omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar Woo-verzoeken. Zij heeft de rechtbank ook verzocht om de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom vast te stellen en om vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Niet tijdig beslissen
3. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Awb.
4. Eiseres heeft op 28 februari 2025 een verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo-verzoek) ingediend. Verweerder moet binnen vier weken beslissen op het verzoek. Dat staat in artikel 4.4, eerste lid, van de Woo. Bij de brief van 9 april 2025 heeft verweerder de beslistermijn verdaagd met twee weken op grond van artikel 4.4, tweede lid, van de Woo. Bij de brief van 9 juli 2025 heeft verweerder aangegeven dat hij naar alle waarschijnlijkheid nog acht weken nodig heeft om een besluit op het Woo-vezoek van eiseres te nemen. De rechtbank stelt vast dat deze beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres verweerder op 15 april 2025 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken. Eiseres heeft op 17 juli 2025 beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek.
5. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 7 januari 2026 alsnog een besluit heeft genomen op het verzoek van eiseres. Daarmee is het procesbelang bij het beroep omtrent het niet tijdig nemen van een besluit komen te vervallen. De rechtbank zal daarom het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaren.
Bestuurlijke dwangsom
6. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om de hoogte van de bestuurlijke dwangsom wegens niet tijdig beslissen vast te stellen.
7. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan op grond van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. Op grond van artikel 4:18 van de Awb stelt het bestuursorgaan de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden. In dit geval heeft verweerder Artikel 8.2 van de Woo bepaalt echter dat de paragraaf waarin deze artikelen staan niet van toepassing is op besluiten op grond van die wet. Dat dit op grond van de voorganger van deze wet (de Wet openbaarheid van bestuur) anders was doet hier niet aan af. De rechtbank wijst om die reden het verzoek van eiseres om een dwangsom vast te stellen af.
Griffierecht en proceskosten
8. Omdat verweerder te laat was met het nemen van een besluit toen eiseres het beroep instelde, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 385,- moet vergoeden.
9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 467,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-;
- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 385,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van I. van Ittersum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2025.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: