Bestuursprocesrecht

Beroep niet tijdig beslissen - het niet tijdig beslissen op het verzoek van eiser op grond van de Wet open…

Rechtbank Midden-Nederland, 20 juli 2026

Zaakgegevens

Op 20 juli 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
20 juli 2026
Datum publicatie
22 juli 2026
Zaaknummer
UTR 26/2896
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:4583
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beroep niet tijdig beslissen - het niet tijdig beslissen op het verzoek van eiser op grond van de Wet open overheid (Woo) - gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/2896

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2026 in de zaak tussen

Het Algemeen Dagblad, te Rotterdam, eiser

en

het College van Gedeputeerde Staten van Utrecht, verweerder.

(hierna: het college)

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep die eiser op 16 april 2026 heeft ingediend, omdat het college niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo).

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een verzoek, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep in kan stellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na deze twee weken nog steeds geen besluit heeft plaatsgevonden, kan de betrokkene beroep instellen.

Zijn de beroepen ontvankelijk en gegrond?

3. Het college heeft op 16 december 2025 van eiser een Woo-verzoek (geregistreerd onder het interne zaaksnummer: 2025/W/113) ontvangen. Het college moet in beginsel binnen vier weken op het verzoek van eiser beslissen en kan deze termijn eenmalig met twee weken verdagen. Het college heeft aangegeven dit met twee weken te verlengen. Dit betekent dat het college in dit geval uiterlijk op 27 januari 2026 een besluit op het verzoek van eiser bekend had moeten maken. De termijn waarbinnen het college moest beslissen is inmiddels verstreken. Eiser heeft het college op 3 februari 2026 in gebreke gesteld en sindsdien zijn er twee weken voorbijgegaan. Het beroep is daarom ontvankelijk en kennelijk gegrond.

Welke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?

4. Omdat het college nog geen besluit heeft genomen op het verzoek van eiser, bepaalt de rechtbank dat hij dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het college dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. De rechtbank kan in bijzondere gevallen afwijken van de standaardtermijn.

5. Verweerder heeft op 29 april 2026 aan de rechtbank verzocht om de termijn voor het indienen van een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken te verlengen met zes weken. Hierbij heeft verweerder laten weten dat het gaat om een omvangrijk verzoek, waarbij ook sprake is van samenloop met andere procedures over hetzelfde onderwerp, zodat de voorbereiding meer tijd vergt. Ook heeft verweerder te kennen gegeven dat er meer tijd nodig is om de beschikbare stukken te verzamelen en in te dienen vanwege de meivakantie en daarmee samenhangende afwezigheid van betrokken medewerkers.

6. De rechtbank stelt vast dat verweerder na het bericht van 29 april 2026 niets meer van zich heeft laten horen. Verder heeft verweerder in het bericht weliswaar toegelicht dat het gaat om een omvangrijk verzoek, maar verweerder heeft niet toegelicht om hoeveel documenten het (naar schatting) gaat, welke stappen verweerder nog moet nemen voordat op het Woo-verzoek kan worden beslist en hoeveel tijd dat kost. De rechtbank ziet in het bericht van 29 april 2026 daarom geen aanleiding om de beslistermijn vast te stellen op een langere termijn dan de standaardtermijn van twee weken na verzending van deze uitspraak. Dat betekent dat verweerder binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op het Woo-verzoek bekend moet maken.

Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?

7. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom. De rechtbank bepaalt in deze zaak dat het college een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,- in totaal. Voor de twee zaken tezamen kan dus maximaal € 15.000,- aan dwangsom worden verbeurd.

Conclusie en gevolgen

8. Er zijn door eiser geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

9. Omdat het beroep gegrond is, moet het college wel het door eiser betaalde griffierecht aan hem vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;

  • draagt het college op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;

  • bepaalt dat het college aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;

  • draagt het college op het griffierecht van in totaal € 397,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2026.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, onder sub b, en 6:12 van de Awb. Zie hiervoor artikel 4.4, eerste en tweede lid, van de Wet open overheid (Woo). Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.