Bestuursprocesrecht
Beroep niet tijdig beslissen - het niet tijdig beslissen op het verzoek van eiser op grond van de Wet open…
Rechtbank Midden-Nederland, 15 juli 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:4584 · Rechtbank Midden-Nederland · 15 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/bestuursprocesrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2026-4584
Zaakgegevens
Op 15 juli 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 15 juli 2026
- Datum publicatie
- 22 juli 2026
- Zaaknummer
- UTR 26/1084
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4584
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beroep niet tijdig beslissen - het niet tijdig beslissen op het verzoek van eiser op grond van de Wet open overheid (Woo) - niet-ontvankelijk.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 26/1084
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , te [plaats] , eiseres,
en
Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder.
(hierna: het college)
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres omdat het college niet op tijd heeft beslist haar verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo).
Eiseres heeft het college op 5 januari 2026 in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op haar verzoek en op 2 februari 2026 beroep ingesteld.
Op 8 april 2026 heeft het college alsnog een besluit genomen op het verzoek van eiseres en dit bekend gemaakt.
Eiseres heeft op 22 april 2026 laten weten dat zij het niet eens is met dit besluit en het beroep te blijven handhaven.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op haar Woo-verzoek. Inmiddels heeft het college een besluit op dat verzoek genomen. Het college heeft dus gedaan wat eiseres wilde. Omdat eiseres het onderhavige beroep niet heeft ingetrokken moet de rechtbank nog wel een beslissing nemen over dat beroep.
3. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Eiseres wilde met haar beroep bereiken dat het college zou beslissen op haar aanvraag en dat is gebeurd. Eiseres heeft daarom geen belang meer bij het beroep, voor zover dat gericht was tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
4. Artikel 6:20, derde lid, van de Awb bepaalt echter dat een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ook betrekking heeft op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Het besluit van 8 april 2026 komt niet geheel tegemoet aan het Woo-verzoek en daarom richt het beroep zich nu van rechtswege ook tegen dit besluit. Eiseres heeft ook laten weten dat zij het niet eens is met de inhoud van dit besluit en daarom het beroep blijft handhaven tegen het college.
5. De rechtbank zal het beroep echter niet zelf behandelen, maar met toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb doorsturen aan het college om in bezwaar te behandelen. De rechtbank ziet aanleiding om dit door te sturen omdat een heroverweging van het besluit, gelet op onder andere het punt van eiseres waarbij het college heeft beslist op basis van het afwezigheid aan documentatie in de zin van de Woo, naar verwachting bijdraagt aan een nader gemotiveerd besluit op het Woo-verzoek van eiseres.
6. Het college moet ook het griffierecht ter hoogte van € 200,- aan eiseres betalen.
7. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
-
stuurt het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 8 april 2026 door naar het college om in bezwaar te behandelen;
-
bepaalt dat het college het griffierecht ter hoogte van € 200,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: