Bestuursprocesrecht
Beroep niet tijdig beslissen - het niet tijdig beslissen op de verzoeken van eiser op grond van de Wet open…
Rechtbank Midden-Nederland, 15 juli 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:4619 · Rechtbank Midden-Nederland · 15 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/bestuursprocesrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2026-4619
Zaakgegevens
Op 15 juli 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 15 juli 2026
- Datum publicatie
- 22 juli 2026
- Zaaknummer
- UTR 26/5452 en UTR 26/5455
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4619
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beroep niet tijdig beslissen - het niet tijdig beslissen op de verzoeken van eiser op grond van de Wet open overheid (Woo) - gegrond.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/5452 en UTR 26/5455
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser.
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest, verweerder.
(hierna: het college)
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over de beroepen die eiser op 15 mei 2026 en 20 mei 2026 heeft ingediend, omdat het college niet op tijd heeft beslist op zijn verzoeken om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo).
Beoordeling door de rechtbank
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep in kan stellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na deze twee weken nog steeds geen besluit heeft plaatsgevonden, kan de betrokkene beroep instellen.
Zijn de beroepen ontvankelijk en gegrond?
3. Het college heeft op 13 november 2025 en 25 januari 2026 van eiser twee Woo-verzoeken (geregistreerd onder het interne zaaksnummer: [nummer] ) ontvangen. Het college moet in beginsel binnen vier weken op de verzoeken van eiser beslissen en kan deze termijn eenmalig met twee weken verdagen. Het college heeft vooralsnog niet aangegeven dit te hebben gedaan. Dit betekent dat het college in dit geval uiterlijk op 11 december 2025 respectievelijk 22 februari 2026 een besluit op de verzoeken van eiser bekend had moeten maken. De termijnen waarbinnen het college moest beslissen zijn inmiddels verstreken. Eiser heeft het college op 22 januari 2026 respectievelijk 24 april 2026 in gebreke gesteld en sindsdien zijn er in beide zaken twee weken voorbijgegaan. De beroepen zijn daarom ontvankelijk en kennelijk gegrond.
Welke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?
4. Omdat het college nog geen besluit heeft genomen op de verzoeken van eiser, bepaalt de rechtbank dat hij dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het college dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de standaardtermijn, omdat de verzoeken van eiser overlap met elkaar hebben en verweerder zelf heeft aangeboden deze zaken gezamenlijk te behandelen. De rechtbank stelt de beslistermijn daarom vast op de standaardtermijn van twee weken na verzending van deze uitspraak.
Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?
5. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom. De rechtbank bepaalt in deze zaken dat het college een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,- in totaal. Voor de twee zaken tezamen kan dus maximaal € 15.000,- aan dwangsom worden verbeurd.
Conclusie en gevolgen
6. Er zijn door eiser geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
7. Omdat de beroepen gegrond zijn, moet het college wel het door eiser betaalde griffierecht aan hem vergoeden. Het gaat dan om het betaalde griffierecht in beide zaken.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart de beroepen gegrond;
-
vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
-
draagt het college op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken in beide zaken;
-
bepaalt dat het college aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
-
draagt het college op het griffierecht van in totaal € 400,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: