Bestuursprocesrecht

BNT, Sv, bezwaar, beroep prematuur, beroep toch gegrond

Rechtbank Midden-Nederland, 5 juni 2026

Zaakgegevens

Op 5 juni 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
5 juni 2026
Datum publicatie
28 juli 2026
Zaaknummer
UTR 26/2753
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:4864
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

BNT, Sv, bezwaar, beroep prematuur, beroep toch gegrond

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/2753


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J. Jansen),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld op 10 april 2026, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar van 13 november 2025, tegen het besluit van 6 november 2025.

Verweerder heeft een verweerschrift en stukken ingediend.

Overwegingen

1. Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting.

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaar kan de

betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Is het beroep ontvankelijk en gegrond?

3. Eiser heeft zijn bezwaarschrift ingediend op 13 november 2025. Verweerder heeft het bezwaarschrift ontvangen op 21 november 2025. Uit het verweerschrift van 21 april 2026 blijkt dat verweerder niet op tijd is met zijn beslissing op bezwaar. Eiser heeft verweerder op 27 maart 2026 in gebreke gesteld. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling op 9 april 2026 heeft ontvangen.

4. Eiser is vervolgens te vroeg in beroep gegaan. De termijn van twee weken die in de gebrekestelling staat, was namelijk nog niet voorbij toen eiser het beroep indiende. De hoofdregel is dan dat het beroep niet-ontvankelijk is. In dit geval beslist de rechtbank dat het beroep tóch ontvankelijk is, omdat de termijn van twee weken inmiddels wel is verlopen en verweerder nog steeds geen besluit heeft genomen.

Welke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?

5. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat

verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.

6. De rechtbank is er ambtshalve mee bekend dat verweerder door een tekort aan

verzekeringsartsen grote achterstanden heeft bij de afhandeling van aanvragen en bezwaarschriften. De rechtbank ziet hier aanleiding in om de beslistermijn vast te stellen op twee maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van deze termijn. Dit betekent dat verweerder binnen twee maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen.

Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?

7. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke

dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -.

Conclusie

8. Het beroep is gegrond. Verweerder moet binnen een termijn van twee maanden na

verzending van deze uitspraak een beslissing nemen op het bezwaar van eiser.

9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten

die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 467,-.

10. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 54,- aan

eiser betalen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;

- draagt verweerder op binnen twee maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;

- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000, -;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- dat eiser heeft betaald moet betalen;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van E.H.M. Jansen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). ECLI:NL:RBMNE:2025:41.