Bestuursprocesrecht

BNT, UHT, derde beroep, beroep niet-ontvankelijk, al besluit op bezwaar, geen procesbelang

Rechtbank Midden-Nederland, 16 juli 2026

Zaakgegevens

Op 16 juli 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
16 juli 2026
Datum publicatie
30 juli 2026
Zaaknummer
UTR 26/3415
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:4968
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

BNT, UHT, derde beroep, beroep niet-ontvankelijk, al besluit op bezwaar, geen procesbelang

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/3415


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2026 in de zaak tussen


[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. P. Salim),

en

Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het herhaalde beroep dat eiseres heeft ingediend op 14 mei 2026, na de uitspraak van de rechtbank van 6 februari 2025 (UTR 24/7731). In die uitspraak is verweerder opgedragen binnen twintig weken na verzending van de uitspraak een beslissing te nemen op het bezwaar van eiseres. Eiseres stelt nu beroep in omdat verweerder dat nog niet heeft gedaan.

Op 29 mei 2026 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Hierin geeft verweerder aan dat eiseres geen procesbelang heeft, omdat verweerder op 23 december 2025 een besluit heeft genomen op het bezwaar van eiseres. Het beroep niet tijdig beslissen moet volgens verweerder dan ook niet-ontvankelijk verklaard worden, wegens het ontbreken van procesbelang.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.

2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.

3. Procesbelang is het belang dat bestaat bij de uitkomst van de procedure, dus wat de rechtzoekende concreet met het beroep wil of kan bereiken. Dit gaat niet om de vraag of de rechtzoekende gelijk heeft. Het gaat erom dat de rechtzoekende een reëel en actueel belang heeft bij het gelijk, als zij dat in beroepsprocedure zou krijgen. De vraag of er procesbelang is, wordt daarom beantwoord naar de stand van zaken op het moment van het beoordelen van het beroep. De bestuursrechter doet geen uitspraken uitsluitend vanwege de principiële betekenis ervan.

4. Bij beschikking van 23 december 2025 – dus voordat het beroep niet tijdig beslissen door eiseres was ingediend bij de rechtbank – heeft verweerder beslist op het bezwaar van eiseres. De rechtbank stelt vast dat dit betekent dat al voordat eiseres beroep had ingesteld, bereikt was wat zij met het beroep beoogde te bereiken. Er is namelijk een besluit op bezwaar genomen. Eiseres had en heeft daarom geen belang bij de beoordeling van het beroep.

5. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.

6. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van E.H.M. Jansen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026.

De griffier is niet in de gelegenheid
te ondertekenen

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 augustus 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU1396.