Bestuursprocesrecht
BNT, Woo, bezwaar, niet-ontvankelijk, igs prematuur
Rechtbank Midden-Nederland, 21 juli 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:5115 · Rechtbank Midden-Nederland · 21 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/bestuursprocesrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2026-5115
Zaakgegevens
Op 21 juli 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 21 juli 2026
- Datum publicatie
- 3 augustus 2026
- Zaaknummer
- UTR 26/2778
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:5115
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
BNT, Woo, bezwaar, niet-ontvankelijk, igs prematuur
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2778
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser,
en
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder
(gemachtigde: C.F. Arnold).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend op 12 april 2026 omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar van 5 januari 2026 tegen het besluit van 29 december 2025 in het kader van de Wet open overheid (Woo).
Verweerder heeft op 24 april 2026 een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaar kan de
betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiser heeft zijn bezwaarschrift tegen het besluit van 29 december 2025 op 5 januari 2026 ingediend. De rechtbank stelt vast dat eiser verweerder op 16 februari 2026 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken. Eiser heeft op 12 april 2026 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar.
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
4. Als de betrokkene de ingebrekestelling te vroeg stuurt, is het beroep niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk kan beoordelen.
5. Uit artikel 6:7 van de Awb volgt dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken bedraagt. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift begint de dag na de bekendmaking van het besluit. Dat volgt uit artikel 6:8 van de Awb. Verweerder moet binnen zes weken beslissen op het bezwaar, gerekend vanaf het moment waarop de termijn voor het indienen van een bezwaar is verstreken. Dat staat in artikel 7:10 van de Awb.
6. Verweerder heeft op 29 december 2025 het besluit bekend gemaakt aan eiser. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift begon dus op 30 december 2025. De termijn voor het indienen van een bezwaar verstreek op 9 februari 2026. Verweerder had dan op 23 maart 2026 een beslissing op bezwaar bekend moeten maken. Eiser heeft verweerder op 16 februari 2026 in gebreke gesteld. Op dat moment was de beslistermijn nog niet verstreken.
7. De rechtbank stelt vast dat alhoewel eiser vroeg na de bekendmaking van het besluit bezwaar heeft gemaakt, dit niets afdoet aan de beslistermijn van verweerder. De beslistermijn van verweerder begint te lopen vanaf het moment waarop de termijn voor het indienen van een bezwaar is verstreken. Verweerder is op dit punt onjuist in zijn verweerschrift. Hij geeft namelijk aan dat op het moment van het instellen van beroep wegens het niet tijdig beslissen, sprake was van een overschrijding van de beslistermijn. Echter is verweerder in gebreke gesteld, voordat de beslistermijn verstreken was. Dit betekent dat de ingebrekestelling en het beroep prematuur zijn.
8. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
9. Dat betekent dat de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet kan beoordelen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van E.H.M. Jansen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: