Bestuursprocesrecht

BNT UHT verzet ongegrond dwangsom

Rechtbank Midden-Nederland, 19 juni 2026

Zaakgegevens

Op 19 juni 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
19 juni 2026
Datum publicatie
13 augustus 2026
Zaaknummer
25/2663
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:5519
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

BNT UHT verzet ongegrond dwangsom

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/2663-V


uitspraak van 19 juni 2026 van de enkelvoudige kamer op het verzet van


[opposante] , uit [plaats] , opposante

(gemachtigde: mr. M. Hoefs),

Inleiding

Opposante heeft een op 22 april 2025 een beroepschrift ingediend tegen het niet tijdig beslissen door de Belastingdienst op het bezwaar van 23 juni 2023.

Bij uitspraak van 29 juli 2025 (UTR 25/2663) heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard.

Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.

Opposante heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft daarvoor ook geen aanleiding gezien. Een zitting is achterwege gebleven.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 29 juli 2025 het beroep gegrond verklaard,

omdat de Belastingdienst niet tijdig een beslissing op het bezwaar van opposante had genomen. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Awb.

2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft

geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was. De rechtbank kijkt (nog) niet of opposante gelijk heeft in beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 29 juli 2025 niet juist was.

3. In verzet heeft opposante aangevoerd dat zij van mening is dat de rechtbank de

uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 maart 2025 dient te volgen en de dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van

€ 37.500.- dient op te leggen.

4. De rechtbank stelt vast dat de rechtbank in de uitspraak van 29 juli 2025 heeft

afgeweken van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

(de Afdeling) van 26 maart 2025. Als de rechtbank hier reden voor ziet dan mag zij hiervan afwijken. De rechtbank volgt het punt niet omdat de rechtbank van oordeel is dat er geen sterkere prikkel nodig is voor de Belastingdienst. De Belastingdienst heeft een ernstig tekort aan menskracht waardoor de termijnen oplopen. Er is hier geen sprake van een weigerig om te beslissen. De rechtbank heeft dus in haar uitspraak terecht een dwangsom opgelegd van

€ 100,- per dag met een maximum van € 15.000.-.

5. In wat opposante heeft aangevoerd ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om

anders te oordelen dan in de uitspraak van 29 juli 2025. Het verzet is ongegrond. Dit betekent dat de uitspraak in stand blijft.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van I. van Ittersum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.

De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.

ECLI:NL:RVS:2025:1301.