Bestuursprocesrecht

Uitspraak zonder zitting. Eiser heeft geen kopie van het bestreden besluit bij zijn beroep gevoegd. De…

Rechtbank Midden-Nederland, 16 juli 2026

Zaakgegevens

Op 16 juli 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
16 juli 2026
Datum publicatie
17 augustus 2026
Zaaknummer
UTR 26/2213
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:5618
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Uitspraak zonder zitting. Eiser heeft geen kopie van het bestreden besluit bij zijn beroep gevoegd. De brieven waarin de rechtbank eiser heeft gevraagd om dit verzuim te herstellen, verzonden naar het adres dat eiser in zijn beroepschrift heeft vermeld, zijn bij de rechtbank retour gekomen. Aangezien eiser de rechtbank geen adreswijziging heeft doen toekomen, heeft de griffier onderzoek gedaan in de basisregistratie personen. Hierbij zijn geen gegevens van eiser gevonden. Eiser heeft dus niet gereageerd op de brieven van de rechtbank en heeft hiervoor geen geldige reden (gegeven). Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/2213


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2026 in de zaak tussen


[eiser] , eiser

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser van 16 maart 2026.

1.1.

Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat eiser geen kopie van het bestreden besluit heeft bijgevoegd en dat verzuim niet (tijdig) heeft hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

3. Iemand die beroep instelt, moet bij zijn beroepschrift zo mogelijk een kopie van het bestreden besluit bijvoegen. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank na een herstelmogelijkheid het beroep op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.

4. Eiser heeft geen kopie van het bestreden besluit bij zijn beroep gevoegd. De rechtbank heeft eiser in haar brief van 17 maart 2026 verzocht om binnen vier weken dit verzuim te herstellen. Deze brief is verzonden naar het adres dat eiser in zijn beroepschrift heeft vermeld. Deze brief is op 19 maart 2026 bij de rechtbank retour gekomen. Vervolgens heeft de rechtbank eiser op 26 maart 2026 nogmaals in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken een kopie van het bestreden besluit op te sturen. Deze brief is aangetekend verzonden naar hetzelfde adres. De brief van 26 maart 2026 is op 9 april 2026 retour gekomen.

5. Aangezien eiser de rechtbank geen adreswijziging heeft doen toekomen, heeft de griffier onderzoek gedaan in de basisregistratie personen. Hierbij zijn geen gegevens van eiser gevonden.

6. Eiser heeft dus niet binnen de hiervoor genoemde termijnen gereageerd en het bestreden besluit niet opgestuurd. Eiser heeft hiervoor geen geldige reden (gegeven). Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van

mr. N.R. Hoogenberk, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Dit staat in artikel 6:5, tweede lid, van de Awb. Dit staat in artikel 6:6 van de Awb. Om te voldoen aan het bepaalde in artikel 8:38 van de Awb.