Bestuursprocesrecht

BNT. Niet-ontvankelijk. Geen procesbelang, want alsnog beslist na beroep.

Rechtbank Midden-Nederland, 19 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 19 augustus 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
19 augustus 2026
Datum publicatie
20 augustus 2026
Zaaknummer
UTR 26/1399
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:5737
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

BNT. Niet-ontvankelijk. Geen procesbelang, want alsnog beslist na beroep.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/1399


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 augustus 2026 in de zaak tussen


[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest (het college), verweerder

(gemachtigde: A. Ben Ali).

Inleiding

  1. Op 23 april 2024 heeft eiseres bij het college een omgevingsvergunning aangevraagd voor het recreatiepark [eiseres] gelegen aan de [adres] in [plaats] in de gemeente Soest.

  2. Met de brief van 14 juni 2024 heeft het college de beslistermijn met zes weken verlengd.

3. Met het formulier van 28 november 2025 (ontvangen door het college op 1 december 2025) heeft eiseres het college schriftelijk in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een besluit op de aanvraag. Ook heeft eiseres verzocht om een dwangsom wegens niet tijdig beslissen. Omdat het college ook daarna geen besluit heeft genomen, heeft eiseres op 14 februari 2026 beroep bij de rechtbank ingesteld.

4. Met de brief van 10 maart 2026 heeft het college gereageerd op het beroep van eiseres. Daarin stelt het college zich op het standpunt dat hij met het besluit van 25 februari 2026 alsnog op de aanvraag heeft beslist. Ook stelt het college dat met het besluit van 5 maart 2026 door het college is bepaald dat hij de maximale dwangsom van
€ 1.442,- aan eiseres is verschuldigd wegens niet tijdig beslissen.

5. De rechtbank heeft het beroep op 14 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen:
- eiseres verschenen bij [A] (bestuurder van [bedrijf 1] B.V.), vergezeld door [B] (bestuurder van [bedrijf 2] B.V.). [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. zijn samen met [bedrijf 3] B.V. de bestuurders van eiseres en
- de gemachtigde van het college.

Overwegingen

6. Eiseres voert aan dat het college met het besluit van 25 februari 2026 nog steeds niet op de aanvraag van 23 april 2024 heeft beslist. Volgens eiseres heeft het college ten onrechte beslist op het uitbreiden van het aantal recreatiewoningen, terwijl eiseres vindt dat zij paviljoens heeft aangevraagd en geen recreatiewoningen.

7. De rechtbank overweegt dat tegen het niet tijdig nemen van een besluit beroep kan worden ingesteld. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het college in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het college is ontvangen. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn ruimschoots is overschreden. Om die reden heeft het college vastgesteld dat hij een dwangsom aan eiseres is verschuldigd.

8. Het geschil tussen partijen ziet op de vraag of het college met het besluit van 25 februari 2026 op de aanvraag van eiseres heeft beslist of dat het college nog steeds in gebreke is een besluit te nemen. De rechtbank overweegt dat een beroep niet tijdig beslissen als doel heeft het college te bewegen een besluit te nemen. Omdat eiseres met het beroep wilde bereiken dat het college een besluit zou nemen en het college dat op 25 februari 2026 heeft gedaan, is het doel van deze beroepsprocedure naar het oordeel van de rechtbank bereikt. Hierdoor is het procesbelang van eiseres naar het oordeel van de rechtbank komen te vervallen. Of het college volledig op de aanvraag heeft beslist, is een vraagstuk dat ziet op de inhoud van het besluit van 25 februari 2026. Tegen dat besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt. In de bezwaarprocedure speelt volgens het college ook de vraag of eiseres recreatiewoningen of paviljoens heeft aangevraagd. Het nog te nemen besluit op bezwaar, waarin het college hierover een beslissing neemt, is vatbaar voor beroep. Het geschil over wat is aangevraagd kan in die procedure aan de orde worden gesteld bij de rechtbank.

Conclusie en gevolgen

9. De rechtbank zal het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaren. Omdat eiseres wel beroep heeft moeten instellen om het college te bewegen een besluit te nemen, moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen, omdat eiseres procedeert zonder beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van

mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 6:12 van de Awb.