Bestuursprocesrecht

Beroep niet tijdig, alsnog beslist. Geen pkv. Portokosten, kopieer – of print kosten vallen niet onder…

Rechtbank Midden-Nederland, 4 september 2026

Zaakgegevens

Op 4 september 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
4 september 2026
Datum publicatie
8 september 2026
Zaaknummer
UTR 26/5735
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:6197
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beroep niet tijdig, alsnog beslist. Geen pkv. Portokosten, kopieer – of print kosten vallen niet onder verschotten waartoe een proceskostenveroordeling zich kan uitstrekken. De kosten van het versturen van een aangetekende brief (€ 12,30) komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/5735


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2026 in de zaak tussen


[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster


en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rhenen, het college.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek om een proceskostenveroordeling.

1.1.

Verzoekster heeft op 8 juli 2026 haar beroep ingetrokken met het verzoek het college te veroordelen in de proceskosten en vergoeding van het griffierecht.

1.2.

De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het college heeft hierop niet gereageerd.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.

3. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

4. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.

5. De rechtbank stelt vast dat verzoekster op 4 juni 2026 beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar verzoek op grond van de Wet open overheid. Met het besluit van 16 juni 2026 heeft het college alsnog beslist. Daarmee is het college tegemoetgekomen aan verzoekster.

6. Desondanks bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Uitsluitend de kosten genoemd in artikel 1 van het Bpb komen voor vergoeding in aanmerking. Portokosten, kopieer – of print kosten vallen niet onder verschotten waartoe een proceskostenveroordeling zich kan uitstrekken. De kosten van het versturen van een aangetekende brief (€ 12,30) komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking.

7. De rechtbank wijst erop dat de minister wel gehouden is om het door verzoekster betaalde griffierecht van € 200,- te vergoeden.Verzoekster moet zich hiervoor wenden tot het college.


Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van

mr. N.R. Hoogenberk, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2026.

De griffier is niet in de gelegenheid
te ondertekenen

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 1, aanhef en onder f, van het Bpb. Zie bv. overweging 7.1 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1569. Artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.