Bestuursprocesrecht
Artikel 35 Wjsg; afwijzing VOG. Subjectieve criterium. Staatssecretaris heeft aan de ernst van het delict…
Rechtbank Midden-Nederland, 10 september 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:6318 · Rechtbank Midden-Nederland · 10 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/bestuursprocesrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2026-6318
Zaakgegevens
Op 10 september 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 10 september 2026
- Datum publicatie
- 14 september 2026
- Zaaknummer
- UTR 26/858
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:6318
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Artikel 35 Wjsg; afwijzing VOG. Subjectieve criterium. Staatssecretaris heeft aan de ernst van het delict meer gewicht mogen toekennen dan aan eisers jonge leeftijd ten tijde van de pleegdatum en het feit dat hij eenmalig de fout is ingegaan. Tijdsverloop sinds de veroordeling in eerste aanleg is ook te kort is om eisers persoonlijke ontwikkelingen op waarde te kunnen schatten en te kunnen vaststellen dat de risico’s voor de door eiser geambieerde functie in de zorg voldoende zijn afgenomen. Beroep ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/858
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. K. Cras),
en
de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
(gemachtigden: mr. S. Özçelik en mr. A. de Gier).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de staatssecretaris de aanvraag van eiser voor een VOG heeft mogen afwijzen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 14 april 2025 een aanvraag ingediend voor een VOG voor assistent begeleider bij [onderneming] . De staatssecretaris heeft deze aanvraag met het besluit van 24 juni 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 december 2025 op het bezwaar van eiser is de staatssecretaris bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de staatssecretaris.
Beoordeling door de rechtbank
3. Ingevolge artikel 35 van de Wjsg, weigert de staatssecretaris de afgifte van een VOG, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan. Bij de beoordeling van de aanvraag heeft de staatssecretaris de criteria toegepast die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2025 (de Beleidsregels). In de Beleidsregels is bepaald dat als een aanvrager voorkomt in het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) de staatssecretaris aan de hand van een objectief en een subjectief criterium bekijkt of de afgifte van een VOG gerechtvaardigd is.
4. De staatssecretaris heeft bij de afwijzing van de aanvraag – kortgezegd – overwogen dat er binnen de terugkijktermijn van vier jaar een in het JDS een ernstig drugsdelict is gevonden. Eiser is op 1 mei 2024 in eerste aanleg en op 28 mei 2025 in hoger beroep veroordeeld wegens drugshandel tot een gevangenisstraf van 300 dagen, waarvan 246 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Deze proeftijd is nog van kracht tot 12 juni 2027. Daarnaast is eiser veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis. Volgens de staatssecretaris moet het algemeen belang van bescherming van de samenleving vanwege het korte tijdverloop en de ernst van het strafbare feit, zwaarder wegen dan de persoonlijke belangen van eiser.
Het objectieve criterium
5. Voor de inhoudelijke beoordeling over de VOG-aanvraag geldt allereerst dat de afgifte van een VOG door de staatssecretaris in beginsel wordt geweigerd indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan. Dit heet ook wel het objectieve criterium. Voor de toets aan dit objectieve criterium geldt een terugkijktermijn in de justitiële documentatie van eiser van vier jaar.
6. In deze zaak staat het objectieve criterium niet ter discussie. Het staat vast dat eiser strafrechtelijk is veroordeeld binnen de terugkijktermijn van vier jaar en de staatssecretaris heeft duidelijk uitgelegd wat de risico’s zijn als de strafbare feiten worden herhaald in de functie waarvoor de VOG is aangevraagd. In de functie van assistent begeleider in de zorg bestaan er risico’s dat de kwetsbare cliënten, waarvoor eiser verantwoordelijk is, te maken zouden krijgen met drugs of met criminele activiteiten die horen bij drugs, als de strafbare feiten herhaald zouden worden.
Het subjectieve criterium
7. Als er wordt voldaan aan het objectieve criterium, wordt de VOG in beginsel geweigerd. Op grond van het subjectieve criterium kan echter worden geoordeeld dat het belang dat verzoeker heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG alsnog afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium. Voor de beoordeling aan de hand van het subjectieve criterium wordt gekeken naar de afdoening van de strafzaak, de hoeveelheid antecedenten, het tijdsverloop daarvan tot de aanvraag en eisers persoonlijke belangen bij het verkrijgen van een VOG.
Eiser voert in dat kader aan dat gelet op alle omstandigheden onder het subjectieve criterium de staatsecretaris in redelijkheid de VOG niet heeft mogen weigeren. Eiser meent dat het gaat om één incident, wat in zijn voordeel moet meewegen, ongeacht de ernst ervan. Volgens eiser staat de ernst van het delict namelijk los van de vraag of sprake is van recidive. Bovendien was eiser ten tijde van de pleegdatum 20 jaar, een ‘first offender’ en heeft hij nadien geen strafbare feiten meer gepleegd. Juist vanwege eisers jongvolwassenheid moet met zijn jeugdigheid en de specifieke omstandigheden die toen speelden en de gemaakte keuzes rekening worden gehouden. De staatssecretaris had daarom het tijdsverloop van inmiddels twee jaar in zijn voordeel moeten meewegen. Daarbij heeft eiser een persoonlijke ontwikkeling doorgemaakt. Hij heeft spijt van het plegen van het strafbare feit. Tijdens het schorsingstoezicht heeft eiser goede en intensive begeleiding gehad en aan stabiele leefregels gewerkt. Ook heeft hij een CoVa training positief afgerond. Kortom: eiser heeft zijn lesje geleerd. In combinatie met het positieve reclasseringsrapport, waarin de kans op recidive laag is ingeschat, is volgens eiser de conclusie gerechtvaardigd dat het risico op recidive inmiddels in voldoende mate is beperkt om tot toewijzing van de VOG over te gaan. Volgens eiser heeft de staatssecretaris onvoldoende gemotiveerd waarom hij tot een andere conclusie komt. Eiser voert verder aan dat de staatssecretaris zijn persoonlijke belangen bij de afgifte van de VOG onvoldoende heeft meegewogen. Eiser werkt al jaren in de zorg. Hij heeft zijn opleiding mbo-niveau 2 en 4 in de zorg met vlag en wimpel gehaald. Ook heeft hij een stage in de gehandicaptenzorg afgerond. De veroordeling in 2025 heeft zijn goede functioneren niet belemmerd en daarop geen smet gebracht. Zijn werkervaring en opleiding zijn enkel gericht op de zorg. Voor zijn functie, waarmee hij een stabiele toekomst kan opbouwen, moet eiser verplicht een VOG overleggen.
Ernst strafbaar feit
8. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris bij zijn beslissing om aan eiser geen VOG te verlenen, zwaar heeft mogen meewegen dat eiser binnen de terugkijktermijn is veroordeeld voor het vervoeren en voorhanden hebben van vijf kilo cocaïne, wat als een ernstig strafbaar feit wordt aangemerkt. Ook het feit dat eiser in hoger beroep is veroordeeld tot een (voorwaardelijke) gevangenisstraf van 300 dagen met een taakstraf, heeft de staatssecretaris als een aanwijzing mogen zien dat het gaat om een ernstig strafbaar feit. Het gaat om een aanzienlijke hoeveelheid harddrugs met een hoge straatwaarde. Daarbij heeft de staatssecretaris mogen betrekken dat het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (het Hof) in het arrest van 28 mei 2025 heeft vastgesteld dat eiser wist wat hij vervoerde, dat het Hof het strafbare feit bewezen heeft verklaard en dat zowel de rechtbank als het Hof het feit eiser zwaar hebben aangerekend. Verder heeft de staatssecretaris van belang geacht dat het strafbare feit van belang is voor de functie waarvoor de VOG wordt aangevraagd. Het is immers niet passend en niet wenselijk dat een medewerker in de zorg met drugs in aanraking komt. De staatssecretaris heeft daarom aan de ernst van het delict meer gewicht mogen toekennen dan aan eisers jonge leeftijd ten tijde van de pleegdatum en het feit dat hij eenmalig de fout is ingegaan.
Tijdsverloop
9. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het tijdsverloop van twee jaar nog te kort is om te concluderen dat het risico voor de samenleving in voldoende mate is afgenomen. Op grond van de Beleidsregels geldt voor jongvolwassenen een verkorte terugkijktermijn van twee jaar, indien de jongvolwassene ten tijde van de aanvraag jonger is dan 23 jaar en geen sprake is van misdrijven die worden beschouwd als ondermijnende (drugs)criminaliteit in het JDS. Nu bij eiser sprake is van een drugsdelict geldt voor hem een terugkijktermijn van vier jaar. Verder moet op grond van de Beleidsregels voor de terugkijktermijn worden gekeken naar de datum van de veroordeling in eerste aanleg. De staatssecretaris heeft daarom de pleegdatum voor het tijdverloop niet doorslaggevend hoeven vinden. Vanaf de datum van de veroordeling van 1 mei 2024 tot aan het bestreden besluit was nog maar 1,5 jaar verstreken de terugkijktermijn van 4 jaar verstreken, wat nog (te) kort is. Daarbij heeft de staatssecretaris ook mogen meewegen dat eiser nog tot 12 juni 2027 in zijn proeftijd zit. Dat er sprake is van maar één incident binnen de terugkijktermijn, maakt dat niet anders.
Persoonlijke omstandigheden
10. De rechtbank stelt vast dat de staatssecretaris bij de beoordeling van het subjectieve criterium de persoonlijke omstandigheden van eiser voldoende heeft meegewogen, maar tot een andere uitkomst is gekomen dan eiser wenst. De rechtbank is het met de staatssecretaris eens dat uitgaande van de pleegdatum, een tijdsverloop van twee jaar in het licht van een terugkijktermijn van vier jaar te kort is om eisers persoonlijke ontwikkelingen op waarde te kunnen schatten en te kunnen vaststellen dat de risico’s voor de door eiser geambieerde functie in de zorg voldoende zijn afgenomen. Juist de terugkijktermijn heeft als doel om voor langere tijd te kunnen laten zien dat iemand op het goede pad blijft. Daarbij maakt de staatssecretaris bij het verlenen van een VOG een eigen inschatting van het risico voor de samenleving. De staatssecretaris hoeft de conclusie van het reclasseringsrapport van 1 mei 2025, dat de kans op recidive voor eiser laag is ingeschat, dus niet zonder meer te volgen. Uit het reclasseringsrapport blijkt ook dat er zorgen zijn over eisers naïviteit, zijn kring van delinquente kennissen en het risico op negatieve beïnvloeding. De staatssecretaris heeft die signalen mogen meewegen bij zijn inschatting van het risico op herhaling. Dat eiser een CoVa-training positief heeft afgerond, heeft de staatssecretaris daarom minder van belang mogen vinden. Ook heeft de staatssecretaris mogen meewegen dat eiser recent is aangehouden voor ‘rijden onder invloed’. Weliswaar gaat dat om geheel andere feiten maar de staatssecretaris heeft terecht aangevoerd dat het feit iets zegt over de inschatting en waardering van de veiligheid van anderen. Verder heeft de staatssecretaris bij de belangenafweging er rekening mee gehouden dat eiser juist vanwege zijn jonge leeftijd, ruimte heeft voor het volgen van een andere opleiding of werk kan zoeken in een andere branche. De weigering van de VOG betekent dus niet dat eiser helemaal geen werk kan krijgen. Daarbij heeft eiser ook op de zitting gezegd dat hij momenteel werk heeft in de keuken van een zorgcentrum. Dat eiser zijn zinnen heeft gezet op een baan in de zorg en hij zich daarin verder wil ontwikkelen, is begrijpelijk maar het leidt er niet toe dat de staatssecretaris hem daarom de VOG moest verlenen.
10. Kortom is de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris een zorgvuldig genomen en voldoende gemotiveerd besluit heeft genomen en dat hij in redelijkheid de VOG heeft mogen afwijzen.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Wagenaar, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.