Bestuursprocesrecht

Intrekking beroep met verzoek pkv. Verzoekers hebben beroep ingesteld omdat het college niet op tijd had…

Rechtbank Midden-Nederland, 18 september 2026

Zaakgegevens

Op 18 september 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18 september 2026
Datum publicatie
1 oktober 2026
Zaaknummer
UTR 25/5193
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:6711
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Intrekking beroep met verzoek pkv. Verzoekers hebben beroep ingesteld omdat het college niet op tijd had beslist op hun bezwaar. Het college heeft op 30 oktober 2025 alsnog beslist en is hiermee tegemoetgekomen. Veroordeling in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/5193


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 september 2026 in de zaak tussen


[eiseres 1] B.V. en [eiser 2] , uit [plaats] , verzoekers

(gemachtigde: F.K. van Wijk),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Houten, het college

(gemachtigde: A.R.E. Maris).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekers om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoekers hebben dit verzoek gedaan bij de intrekking van hun beroep.

Wat ging er aan deze zaak vooraf?

2. Verzoekers hebben een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. Het college heeft deze aanvraag op 25 september 2023 afgewezen. Op 12 maart 2024 heeft het college het door verzoekers ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

2.1.

Verzoekers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld (zaaknummer UTR 24/3107). De rechtbank heeft dit beroep op 27 mei 2025 gegrond verklaard en het college opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

2.2.

Verzoekers hebben op 8 september 2025 beroep ingesteld omdat het college niet op tijd (opnieuw) heeft beslist op hun bezwaarschrift.

2.3.

Het college heeft op 30 oktober 2025 alsnog beslist en de omgevingsvergunning verleend. Ook heeft het college de maximale bestuurlijke dwangsom toegekend.

2.4.

Op 11 november 2025 hebben verzoekers hun beroep ingetrokken en verzocht om een veroordeling van het college in de proceskosten.

2.5.

De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het college heeft op 1 december 2025 gereageerd.

2.6.

De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om een proceskostenveroordeling.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

4. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.

5. Op 8 september 2025 hebben verzoekers beroep ingesteld omdat het college niet op tijd had beslist op hun bezwaar. Het college heeft op 30 oktober 2025 alsnog beslist. Hiermee is het college tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekers.

6. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoekers krijgen een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen verzoekers een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Omdat de zaak een licht gewicht heeft, is op de waarde een factor van 0,5 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 467,-.

7. De rechtbank wijst erop dat het college verplicht is het door verzoekers betaalde griffierecht van € 385,- te vergoeden.Verzoekers moeten zich hiervoor dan ook tot het college wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het college tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan verzoekers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van

mr. N.R. Hoogenberk, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2026.

De griffier is verhinderd

deze uitspraak te ondertekenen

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.