Bestuursprocesrecht
BNT UHT. Niet-ontvankelijk, tweede keer beroep tegen het niet tijdig beslissen op dezelfde aanvraag. Wel…
Rechtbank Midden-Nederland, 17 september 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:6758 · Rechtbank Midden-Nederland · 17 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/bestuursprocesrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2026-6758
Zaakgegevens
Op 17 september 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 17 september 2026
- Datum publicatie
- 2 oktober 2026
- Zaaknummer
- UTR 26/5748
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:6758
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
BNT UHT. Niet-ontvankelijk, tweede keer beroep tegen het niet tijdig beslissen op dezelfde aanvraag. Wel proceskostenvergoeding
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/5748
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] (Duitsland), eiseres
(gemachtigde: mr. I. Mercanoglu),
en
Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld op 5 juni 2026, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 22 april 2025 om aanvullende compensatie voor werkelijke schade. Bij brief van 18 juni 2025 is de ontvangst van de aanvraag bevestigd door verweerder.
Op 16 juni 2026 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder
zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2. Eiseres heeft eerder beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag van 22 april 2025. De rechtbank heeft dit beroep (met zaaknummer UTR 26/146) op 15 juni 2026 ter zitting behandeld.
3. Eiseres heeft in deze zaak voor de tweede keer beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op dezelfde aanvraag. In de uitspraak van 17 september 2026 in zaak UTR 26/146 heeft de rechtbank het eerste beroep niet tijdig beslissen gegrond verklaard en verweerder opgedragen uiterlijk 27 januari 2027 een besluit te nemen op de aanvraag van eiseres.
4. Dit betekent dat eiseres in deze zaak geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van dit tweede beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank verklaart dit beroep daarom niet-ontvankelijk.
5. De rechtbank ziet in dit geval wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten en om te bepalen dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht moet vergoeden. Verweerder heeft immers tot op heden niet beslist op de aanvraag. Eiseres heeft dit tweede beroep niet tijdig beslissen ingesteld in verband met het verweer van verweerder in de zaak UTR 26/146, waarin verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat de ingebrekestelling prematuur zou zijn en het beroep daarom niet-ontvankelijk is. De rechtbank heeft dat verweer verworpen, maar dat verweer heeft wel ertoe geleid dat eiseres nogmaals een ingebrekestelling heeft gestuurd en dit tweede beroep niet tijdig beslissen heeft ingediend. Onder die omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres.
6. De proceskostenvergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 467,-.
7. Ook zal verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 54,- moeten vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. E.J.H.C. Hui, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2026.
De rechter is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.