Bestuursprocesrecht
BNT WIA aanvraag gegrond. Geen onredelijk laat beroep
Rechtbank Midden-Nederland, 28 september 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:7377 · Rechtbank Midden-Nederland · 28 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/bestuursprocesrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2026-7377
Zaakgegevens
Op 28 september 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 28 september 2026
- Datum publicatie
- 22 oktober 2026
- Zaaknummer
- UTR 26/7494
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:7377
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
BNT WIA aanvraag gegrond. Geen onredelijk laat beroep
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/7494
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 september 2026 in de zaak tussen
Start People Services B.V., gevestigd te Almere, eiseres,
(gemachtigde: mr. C.A. Wessels),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag om herbeoordeling van mevrouw [naam] in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaar kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op de aanvraag. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiseres heeft haar aanvraag om herbeoordeling ingediend op 13 mei 2025. Verweerder heeft de aanvraag ontvangen op 15 mei 2025. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling op 24 juli 2026 heeft ontvangen en sindsdien twee weken zijn verstreken. Eiseres heeft op 27 augustus 2026 beroep ingesteld.
4. Verweerder heeft in zijn verweerschrift aangevoerd dat het beroep onredelijk laat is ingediend en daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De rechtbank is het daar niet mee eens en legt hierna uit waarom.
5. Artikel 6:12, vierde lid, van de Awb bepaalt dat de betrokkene binnen een redelijke termijn beroep moet instellen. Hoewel de betrokkene niet binnen een bepaalde termijn beroep hoeft in te stellen, geldt wel dat de betrokkene dit niet onredelijk laat moet doen. Wanneer sprake is van een onredelijk laat beroep kan niet in zijn algemeenheid worden bepaald en dit wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Wel blijkt uit de rechtspraak dat van belang is of de betrokkene er nog vanuit mocht gaan dat het bestuursorgaan nog een besluit zou nemen. In dat verband kan ook van belang zijn of en hoe er nadien van gedachten is gewisseld tussen betrokkene en bestuursorgaan.
6. In dit geval is de rechtbank van oordeel dat eiseres er nog van uit mocht gaan dat er nog een besluit zou komen. Het is immers algemeen bekend dat verweerder al langere tijd kampt met een groot tekort aan verzekeringsartsen en dat claim- en herbeoordelingen en de afhandelingen van bezwaren daardoor erg lang op zich laat wachten. Het is naar het oordeel van de rechtbank niet wenselijk dat een betrokkene onder deze omstandigheden te snel wordt tegengeworpen dat zij niet eerder beroep heeft ingesteld.
Verweerder moet alsnog een besluit nemen
7. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d, derde lid, Awb). Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
8. De rechtbank is er ambtshalve mee bekend dat verweerder door een tekort aan
verzekeringsartsen grote achterstanden heeft bij de afhandeling van aanvragen en bezwaarschriften. De rechtbank ziet hier aanleiding in om de beslistermijn vast te stellen op vier maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van deze termijn. Dit betekent dat verweerder binnen vier maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen.
Rechterlijke dwangsom
9. De rechtbank bepaalt in deze zaak dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee verweerder de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
Conclusie
10. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat verweerder binnen een termijn van vier maanden na verzending van deze uitspraak een beslissing moet nemen op de aanvraag van eiseres.
11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres ook een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
12. Ook moet verweerder het griffierecht van € 397,- aan eiseres betalen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 397,- dat eiseres heeft betaald moet betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.J.H.C. Hui, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 september 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: