Socialezekerheidsrecht

Anw - gewijzigde betalingsregeling - voorlopige voorziening - griffierecht niet tijdig voldaan - verzoek is…

Rechtbank Midden-Nederland, 30 maart 2026

Zaakgegevens

Op 30 maart 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
30 maart 2026
Datum publicatie
2 april 2026
Zaaknummer
UTR 26/832
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:1313
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Anw - gewijzigde betalingsregeling - voorlopige voorziening - griffierecht niet tijdig voldaan - verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/832


uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 maart 2026 in de zaak tussen


[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. J. Nijssen),

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB

(gemachtigde: mr. N. Zuidersma-Hovers).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Bij besluit van 6 oktober 2025 heeft de SVB de betalingsregeling die eerder met verzoekster is getroffen gewijzigd. De SVB heeft besloten dat het maandbedrag per november 2025 wijzigt naar € 425,50. Verzoekster heeft hier tegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 9 januari 2026 heeft de SVB het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer UTR 26/828.

3. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. In een zaak als deze is het griffierecht € 54,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.

5. De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 29 januari 2026 verzoekster in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de deze brief op 31 januari 2026 om 9:37 uur is bezorgd en dat is getekend voor ontvangst.

6. Verzoekster heeft het verschuldigde griffierecht niet binnen de door de voorzieningenrechter gestelde termijn voldaan. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet zou moeten worden geoordeeld dat verzoekster in verzuim is geweest, is de voorzieningenrechter niet gebleken.

7. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.

8. Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat vooralsnog niet is gebleken dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening, nu louter een financieel belang is gesteld en niet is gebleken van onomkeerbare (financiële) gevolgen. De griffier heeft verzoekster tweemaal, bij brieven van 29 januari 2026 en 12 maart 2026, in de gelegenheid gesteld om haar gestelde spoedeisend belang te onderbouwen, maar verzoekster heeft niet op deze brieven gereageerd. De conclusie is daarom dat er op dit moment geen spoedeisend belang is.

Conclusie en gevolgen

9. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.S. Lodder, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2026.

De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Dit is geregeld in artikel 8:82 van de Awb in samenhang met artikel 8:41 van de Awb.