Arbeidsrecht

Deelgeschil. Het verzoek wordt afgewezen omdat de advocaat van de werknemer in strijd met de op hem rustende…

Rechtbank Midden-Nederland, 16 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 16 oktober 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een zaak over arbeidsrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
16 oktober 2026
Datum publicatie
27 oktober 2026
Zaaknummer
12324898 \ UE VERZ 26-315
Rechtsgebied
Civiel recht Arbeidsrecht
Procedure
Beschikking
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:7505
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Deelgeschil. Het verzoek wordt afgewezen omdat de advocaat van de werknemer in strijd met de op hem rustende waarheidsplicht heeft nagelaten de feiten volledig aan te voeren.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer / rekestnummer: 12324898 \ UE VERZ 26-315

Beschikking van 16 oktober 2026

in de zaak van

[verzoeker] ,

die woont in [woonplaats] ,

verzoekende partij,

hierna te noemen: [verzoeker] ,

gemachtigde: mr. J.W. Menkveld,

tegen

[verweerder] ,

die is gevestigd in [vestigingsplaats] ,

verwerende partij,

hierna te noemen: [verweerder] ,

gemachtigde: mr. T. Havekes.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met 12 producties,

- het verweerschrift met 6 producties,

- de mondelinge behandeling van 16 september 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.

- de spreekaantekeningen van [verzoeker] .

1.2

De beschikking is nader bepaald op vandaag.

2 De kern van de zaak

2.1

[verzoeker] was van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026 bij [verweerder] in dienst als postsorteerder. Op 23 of 24 april 2025 is hij op zijn werk gevallen en hij heeft daarbij letsel opgelopen. Hij vraagt in dit deelgeschil om voor recht te verklaren dat [verweerder] aansprakelijk is voor de gevolgen van zijn ongeval. Dit verzoek wordt afgewezen omdat de advocaat van [verzoeker] in strijd met de op hem rustende waarheidsplicht heeft nagelaten de feiten volledig aan te voeren.

3 De beoordeling

Het verzoek leent zich voor een deelgeschil

3.1

[verzoeker] heeft een deelgeschil bij deze rechtbank ingediend. Daarom moet er worden beoordeeld of er sprake is van schade die wordt geleden door dood of letsel. Daarnaast moet er sprake zijn van een geschil omtrent een deel van wat partijen verdeeld houdt.

Deze procedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. Om die reden moet ook worden vastgesteld of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen.

3.2

In dit geval verschillen partijen – kort gezegd – van mening of sprake is van een arbeidsongeval waarvoor [verweerder] als werkgever aansprakelijk is. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen in beginsel worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat het verzoek kan worden behandeld.

Het toetsingskader van artikel 7:658 BW in het deelgeschil

3.3

[verzoeker] beroept zich op werkgeversaansprakelijkheid. Voor een geslaagd beroep hierop moet hij stellen en, bij voldoende gemotiveerde betwisting, bewijzen dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. [verzoeker] hoeft niet de exacte toedracht van het ongeval te bewijzen, maar wel dat de schade is ontstaan tijdens het verrichten van de werkzaamheden, met andere woorden dat er een causaal verband bestaat tussen de schade en de werkzaamheden.

3.4

Indien komt vast te staan dat [verzoeker] in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden, dan is [verweerder] daarvoor als werkgever aansprakelijk. Dit is slechts anders als zij aantoont dat zij haar zorgplicht is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van [verzoeker] .

De waarheidsplicht van partijen

3.5

Het is een basisregel in het civiele recht dat partijen de hen bekende feiten volledig en naar waarheid moeten aanvoeren. Uitgangspunt in het huidige procesrecht, en zeker ook in deze deelgeschilprocedure, is verder dat partijen dit zo vroeg mogelijk in de procedure moeten doen. Dat betekent dat [verzoeker] verplicht is om in het verzoekschrift de kantonrechter zo volledig als mogelijk feitelijk voor te lichten. Op [verweerder] rust de verplichting dat bij verweerschrift te doen. Als een of meer partijen handelen in strijd met deze verplichting dan kan dat voor de betreffende partij (negatieve) gevolgen hebben.

[verzoeker] heeft niet aan de op hem rustende waarheidsplicht voldaan

3.6

In de overwegingen 3.3. en 3.5. is duidelijk omschreven welke feiten [verzoeker] moet stellen en op welk moment in de procedure. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [verzoeker] alle feiten, die aannemelijk kunnen maken dat in deze zaak sprake is van een arbeidsongeval, opzettelijk niet heeft vermeld. Immers, pas ter zitting heeft [verzoeker] een concrete en gedetailleerde beschrijving gegeven van het ongeval. Desgevraagd, heeft diens advocaat verklaard dat hij hiervan wetenschap had en dat hij deze feiten niet in het verzoekschrift heeft opgenomen met de bedoeling de wederpartij niet wijzer dan nodig te maken.

3.7

Het directe gevolg daarvan is dat de rechter en de wederpartij niet tijdig hierover zijn geïnformeerd. [verweerder] is hierdoor ernstig in haar verdediging geschaad. Door de hem bekende toedracht te verzwijgen, heeft [verweerder] in haar verweerschrift immers alleen in het algemeen - en niet concreet - kunnen ingaan op haar zorgplicht. Ook heeft zij zich niet deugdelijk kunnen verweren op het punt of er sprake was van opzet of bewuste roekeloosheid aan de zijde van [verzoeker] . Van belang hierbij is dat een deelgeschil een relatief snelle en eenvoudige procesgang kent. Aan iedere partij wordt slechts één keer schriftelijk de mogelijkheid geboden alle relevante feiten in het verzoek en het verweer naar voren te brengen. Dit bewust nalatig handelen van [verzoeker] en zijn advocaat levert strijd op met de op [verzoeker] rustende waarheidsplicht. Deze nalatigheid wordt niet opgeheven door de verzwegen relevante feiten voor het eerst ter zitting aan te voeren. Voor herstel van deze nalatigheid zou op zijn minst na de mondelinge behandeling een nadere schriftelijke ronde nodig zijn. De deelgeschilprocedure leent zich daarvoor niet.

Het verzoek wordt afgewezen

3.8

De bewuste nalatigheid van [verzoeker] en zijn advocaat levert strijd op met de op hen rustende waarheidsplicht en dus ook strijdigheid met een goede procesorde. De aard en ernst van de schending, zoals hiervoor omschreven, rechtvaardigt een afwijzing van het verzoek.

Meegewogen is hierbij dat de beslissing in een deelgeschil een bindende eindbeslissing is. Hierin wordt beslist over de belangrijke vraag of [verweerder] aansprakelijk kan worden gehouden voor het ongeval dat [verzoeker] mogelijk is overkomen op de werkplek en de daaruit mogelijk voortvloeiende schade.

De kosten van het deelgeschil worden niet begroot

3.9

De kosten van het deelgeschil moeten in principe worden begroot. Hierbij wordt de dubbele redelijkheidstoets gehanteerd: het moet redelijk zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten moet ook redelijk zijn. Maar als een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, komen de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking. Dat is hier het geval. Van een advocaat wordt verwacht dat hij zich verdiept in de feiten en de bewijsmiddelen, dat hij nadenkt over de wederzijdse rechtsposities van partijen en dat hij anticipeert op de stelplicht en de bewijslast voordat hij een procedure aanhangig maakt. Van een advocaat mag worden verwacht dat hij weet dat het opzettelijk niet vermelden van relevante feiten in het verzoekschrift strijdig is met een goede procesorde. De rechtbank begroot de deelgeschilkosten daarom niet.

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.P. Drijkoningen en in het openbaar uitgesproken door mr. J.K.J. van den Boom op 16 oktober 2026.

pvt 1299

Vgl. HR 4 mei 2001, ECLI:NL:HR2001:AB1430 en HR 29 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2432 Zie o.a. S.D. Lindenbergh, Arbeidsongevallen en beroepsziekten (Mon. Pr. nr. 13) 2021/16 Artikel 21 Rv Zie o.a. ECLI:NL:PHR:2026:277 20 maart 2026 (r.o. 4.133) en Kamerstukken II 1999/2000, 26 855, nr. 3, p. 53 Artikel 1019 aa Rv Zie o.a. TvPP 2020/2 C.J.A. Seinen 20 april 2020 en Hof van Discipline 5 juni 2009, nummer 5369, Advocatenblad 2010/11