Arbeidsrecht
Werkgever vordert boete vanwege overtreding anti-ronselbeding. Kantonrechter gaat over tot matiging van de boete.
Rechtbank Midden-Nederland, 14 oktober 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:7460 · Rechtbank Midden-Nederland · 14 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/civiel-recht/arbeidsrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2026-7460
Zaakgegevens
Op 14 oktober 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over arbeidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 14 oktober 2026
- Datum publicatie
- 26 oktober 2026
- Zaaknummer
- 12191176 \ UC EXPL 26-3556
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Arbeidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:7460
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Werkgever vordert boete vanwege overtreding anti-ronselbeding. Kantonrechter gaat over tot matiging van de boete.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12191176 \ UC EXPL 26-3556
Vonnis van 14 oktober 2026
in de zaak van
PRESENTER B.V.,
te Utrecht,
eisende partij,
hierna te noemen: Presenter,
gemachtigde: mr. M. van Zeijderveld,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. M.C.G.M. van den Heuvel.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding van 9 april 2026 met producties 1 tot en met 8;
-
de conclusie van antwoord met producties 1 en 2 van [gedaagde] ;
-
de akte overlegging producties 9 tot en met 19 van Presenter;
-
de mondelinge behandeling van 18 september 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
Tijdens de mondelinge behandeling is namens Presenter verschenen de heer
[A] ( [functie 1] ) en de heer [B] ( [functie 1] ), samen met de gemachtigde
mr. Van Zeijderveld. [gedaagde] is verschenen met haar partner en met haar gemachtigde mr. Van den Heuvel. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarbij de gemachtigde van Presenter gebruik heeft gemaakt van spreekaantekeningen. Partijen hebben op elkaar kunnen reageren en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Aan het einde van de mondelinge behandeling is bepaald dat er een vonnis zal worden gewezen.
2 De kern van de zaak
[gedaagde] is van 18 oktober 2021 tot 1 april 2025 bij Presenter in dienst geweest. Haar laatste functie was [functie 2] . In de arbeidsovereenkomst zijn partijen onder andere een anti-ronselbeding en een boetebeding overeengekomen. [gedaagde] is per 1 april 2025 werkzaam bij [onderneming 1] B.V. Op 16 juni 2025 heeft [gedaagde] zeven werknemers van Presenter benaderd via LinkedIn. In de verzonden berichten heeft [gedaagde] verwezen naar vacatures bij [onderneming 1] B.V. In deze procedure vordert Presenter een contractuele boete van € 70.000,00 vanwege schending van het anti-ronselbeding. [gedaagde] meent dat zij geen beding heeft geschonden en als daarvan wel sprake is, moet de boete worden gematigd. De kantonrechter wijst een gematigde boete toe van € 3.500,00.
3 De beoordeling
Presenter heeft tijdens de mondelinge behandeling haar vordering verminderd
Aanvankelijk vorderde Presenter – naast betaling van de contractuele boete – om [gedaagde] te veroordelen tot nakoming van het anti-ronselbeding en om aan haar afschriften te verstrekken van alle berichten die in de periode van 9 tot en met 23 juni 2025 waren verzonden aan (voormalig) medewerkers van Presenter. Deze twee vorderingen heeft Presenter tijdens de mondelinge behandeling van 18 september 2025 ingetrokken. Daarop hoeft dus niet meer te worden beslist.
[gedaagde] heeft het anti-ronselbeding overtreden, maar dat heeft zij slechts één keer gedaan
In artikel 13 van de tussen Presenter en [gedaagde] gesloten arbeidsovereenkomst is bepaald: “Het is werknemer niet toegestaan om tijdens of gedurende 12 maanden na beëindiging van de arbeidsovereenkomst, direct dan wel indirect, voor zichzelf of voor derden, op welke wijze dan ook, werknemers van werkgever of aan haar gelieerde vennootschappen te benaderen, teneinde hen te bewegen het dienstverband met werkgever te beëindigen.”
In artikel 15.1 van diezelfde arbeidsovereenkomst is bepaald: “Bij overtreding van het bepaalde in de artikelen 10 tot en met 14 verbeurt werknemer ten behoeve van werkgever onmiddellijk, zonder nadere sommatie of ingebrekestelling, een direct opeisbare boete ten bedrage van € 10.000,- netto voor iedere overtreding, alsmede een bedrag van € 1.000,- netto voor iedere dag of dagdeel dat de overtreding voortduurt, onverminderd het recht van werkgever om alsnog nakoming te verlangen (in afwijking van artikel 6:92 BW) en/of de werkelijk geleden schade te vorderen en onverminderd de overige rechten van werkgever (zoals het geven van een ontslag op staande voet) krachtens de wet of de onderhavige overeenkomst.”
Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] op 16 juni 2025 aan zeven medewerkers van Presenter een LinkedIn-bericht heeft verzonden waarin zij aan die medewerkers heeft gevraagd of zij bekend zijn met mensen die een nieuwe uitdaging zoeken of dat zijzelf op zoek zijn naar een nieuwe uitdaging. Daarbij is ook verwezen naar openstaande vacatures van [onderneming 1] . Daarmee is het overeengekomen anti-ronselbeding geschonden. Het was [gedaagde] contractueel niet toegestaan om werknemers van Presenter te benaderen en hen te bewegen het dienstverband met Presenter te beëindigen. Door haar oud-collega’s te benaderen, hen te verwijzen naar openstaande vacatures bij haar nieuwe werkgever en te vragen of men op zoek is naar een nieuwe uitdaging, heeft [gedaagde] dat wel gedaan.
[gedaagde] heeft dus het anti-ronselbeding geschonden, waardoor zij aan Presenter een contractuele boete is verschuldigd. Vervolgens is tussen partijen in geschil hoe vaak [gedaagde] het anti-ronselbeding heeft geschonden. Presenter meent dat [gedaagde] dit zeven keer heeft gedaan (en vordert daarom een bedrag van zeven x € 10.000,00), terwijl [gedaagde] meent dat haar handeling eenmalig op dezelfde datum is uitgevoerd en dat dit als één overtreding moet worden gezien. Voor de beoordeling van dit geschilpunt moet de kantonrechter vaststellen wat partijen zijn overeengekomen in artikel 13 en 15 van de arbeidsovereenkomst. Bij de uitleg van bepalingen in een overeenkomst geldt volgens vaste rechtspraak dat de vraag wat partijen zijn overeengekomen niet alleen kan worden beantwoord op grond van een zuiver taalkundige uitleg van de bewoordingen van de overeenkomst. Bij de uitleg dient eveneens acht te worden geslagen op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (het zogenoemde Haviltex-criterium).
Presenter legt het anti-ronselbeding zo uit dat het beding het benaderen van werknemers per individu verbiedt, zodat [gedaagde] zeven overtredingen heeft begaan. De kantonrechter volgt Presenter niet in die uitleg. Het doel van een anti-ronselbeding is om een werknemer te verbieden dat andere werknemers worden benaderd teneinde hen te bewegen het dienstverband met Presenter te beëindigen. Het gaat er daarbij volgens de kantonrechter om dat wordt voorkomen dat werknemers in het algemeen worden benaderd. De tekst van het anti-ronselbeding hoeft dus niet zo begrepen te worden dat met de term ‘werknemers’ is bedoeld iedere afzonderlijke werknemer. [gedaagde] heeft slechts eenmaal werknemers benaderd, namelijk op 16 juni 2025. De berichten aan die werknemers waren ook telkens van dezelfde strekking en hadden vrijwel dezelfde inhoud. Gelet daarop hoefde [gedaagde] niet te verwachten dat op basis van het overeengekomen anti-ronselbeding haar bericht aan elke afzonderlijke werknemer zou leiden tot een overtreding waarvoor afzonderlijk telkens een boete van € 10.000,00 gold. Het voorgaande betekent dat de eenmalige actie van [gedaagde] wordt beschouwd als één overtreding van het beding. Het gevolg daarvan is dat zij dus in beginsel een boete van € 10.000,00 is verschuldigd aan Presenter.
De boete zal worden gematigd tot € 3.500,00
[gedaagde] heeft een beroep gedaan op matiging van de boete. Het eerste lid van artikel 6:94 BW geeft de rechter de bevoegdheid een contractuele boete op verlangen van de schuldenaar te matigen als de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Met die bevoegdheid dient terughoudend te worden omgegaan. Matiging is alleen aan de orde wanneer toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal niet alleen moeten worden gelet op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen. De omstandigheden van het geval zijn uiteindelijk beslissend en niets verhindert de rechter gewicht toe te kennen aan de hoedanigheid van partijen, zoals het zijn van particulier.
De kantonrechter zal de boete matigen en neemt de volgende aspecten mee in haar overweging. Allereerst is van belang dat de looptijd van het beding is verstreken en dat het benaderen van werknemers beperkt is gebleven tot zeven personen op 16 juni 2025. Vervolgens is van belang dat Presenter geen schade heeft geleden door het handelen van [gedaagde] op 16 juni 2025. Het standpunt van Presenter dat het uiteenlopen tussen de werkelijke schade en de boete niet voldoende is voor matiging van de boete, is daarbij op zichzelf genomen juist. Maar in deze zaak staat als onweersproken vast dat de benaderde werknemers niet zijn overgestapt naar [onderneming 1] . Dit betekent dat de gevorderde boete en de schade sterk uiteenlopen. Daarbij is ook van belang dat de boetebepaling niet is afgestemd op de werkelijke schade die Presenter kan lijden als gevolg van een overtreding van het anti-ronselbeding, omdat de boetebepaling ook geldt voor overtredingen van andere bepalingen in de arbeidsovereenkomst. Het bedrag aan boete is bovendien van een aanzienlijke omvang voor een enkele overtreding waar [gedaagde] als particulier en volledig in privé voor wordt aangesproken. [gedaagde] heeft naar voren gebracht dat haar nieuwe werkgever desgevraagd niet wil bijdragen aan een eventuele boete, zodat het gehele boetebedrag voor rekening van [gedaagde] zou komen.
Verder hecht de kantonrechter ook waarde aan de omstandigheden waaronder het beding is ingeroepen. [gedaagde] heeft zich ten tijde van haar vertrek en daarna steeds coöperatief opgesteld. Ten tijde van haar vertrek is [gedaagde] vrijwillig een relatiebeding overeengekomen, omdat dit in de arbeidsovereenkomst niet was overeengekomen. En nadat [gedaagde] de brief van 10 oktober 2025 had ontvangen, waarin zij is gesommeerd tot betaling van een boete van € 70.000,00, heeft zij direct contact opgenomen met Presenter om een toelichting te geven over wat er volgens haar was afgesproken voorafgaand aan haar vertrek en wat de reden (zoals hierna beschreven in r.o. 3.9) was voor het benaderen van de betreffende werknemers. Zonder verder in gesprek te gaan met [gedaagde] heeft Presenter er vervolgens voor gekozen om vast te houden aan een boete van € 70.000,00.
Volgens [gedaagde] was in de periode voordat zij haar arbeidsovereenkomst heeft opgezegd sprake van een negatieve financiële situatie van Presenter. Zij stelt dat toen steeds is bevestigd (onder andere door voormalig [functie 1] [C] ) dat het natuurlijk verloop van werknemers van Presenter gestimuleerd moest worden. Dat daarvan sprake was, is door Presenter betwist en dat is ook niet gebleken. Uit de overgelegde verklaring van [C] volgt dat niet. En ook uit de overgelegde verklaring van [D] ( [functie 3] van Presenter) en de liquiditeitsbegroting volgt dat er geen sprake was van een noodzaak tot het natuurlijk verloop van werknemers. De context die [gedaagde] heeft willen geven aan de reden van het benaderen van verschillende werknemers is dus niet komen vast te staan.
Op basis van de bovenstaande omstandigheden is [gedaagde] dus wel een boete aan Presenter verschuldigd, maar slaagt het beroep op matiging, omdat het opleggen van € 10.000,00 aan boete in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. De kantonrechter acht alles overwegende een matiging tot een bedrag van € 3.500,00 aan contractuele boete in dit geval passend. Dit bedrag zal daarom worden toegewezen.
De gevorderde wettelijke rente over de contractuele boete is toewijsbaar
Een eisende partij (Presenter) kan pas aanspraak maken op wettelijke rente over een verbeurde contractuele boete als zij haar wederpartij ( [gedaagde] ) specifiek en schriftelijk tot betaling van die boete heeft aangemaand. De wettelijke rente is dus niet toewijsbaar vanaf de datum van de overtreding van het anti-ronselbeding, zoals Presenter vordert. De kantonrechter wijst de wettelijke rente toe vanaf 21 oktober 2025. Presenter heeft namelijk op 10 oktober 2025 [gedaagde] schriftelijk tot betaling van de contractuele boete aangemaand. In de ingebrekestelling van 10 oktober 2025 is aan [gedaagde] gelegenheid gegeven tot en met
20 oktober 2025, zodat zij pas vanaf 21 oktober 2025 in verzuim is. Het standpunt van [gedaagde] dat zij geen wettelijke rente is verschuldigd, omdat deze niet tegelijk met een contractuele boete kan worden gevorderd, verwerpt de kantonrechter. Het betreft hier immers de contractuele boete als hoofdsom, waarover de wettelijke rente is gevorderd. Er is dus geen sprake van cumulatie van een boete en de wettelijke rente. Presenter mag de wettelijke rente over de contractuele boete vorderen als [gedaagde] deze te laat betaalt, zoals hier is gebeurd.
De buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen
Presenter vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 1.475,00. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding zal worden afgewezen. Er is namelijk niet gebleken dat aan [gedaagde] een aanmaning is verstuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarover is niets gesteld en ook uit de producties blijkt niet van de vereiste 14-dagenbrief.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Presenter heeft een vordering ingediend van € 70.000,00. Het griffierecht dat bij deze vordering hoort, en dat Presenter dus heeft moeten betalen, is € 1.504,00. Maar er wordt slechts een klein deel van de vordering (€ 3.500,00) toegewezen. Het griffierecht dat bij het toegewezen bedrag hoort is € 529,00. [gedaagde] zal, gelet op de gedeeltelijke toewijzing van de hoofdsom, tot betaling van het aangepaste bedrag aan griffiegeld worden veroordeeld. Het salaris van de gemachtigde van Presenter zal ook worden aangepast, omdat slechts een gedeelte van de hoofdsom wordt toegewezen. De proceskosten van Presenter worden daarom begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
127,08 |
|
|
- griffierecht |
€ |
529,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
506,00 |
(2 punten × € 253,00) |
|
- nakosten |
€ |
126,50 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
1.288,58 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
De veroordeling van [gedaagde] wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zoals Presenter heeft gevorderd. Dit betekent dat [gedaagde] aan de veroordeling in dit vonnis moeten voldoen, óók als zij of Presenter in hoger beroep gaan. Dit vonnis geldt dan totdat de hoger beroepsrechter een beslissing heeft genomen.
4 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan Presenter te betalen een bedrag van € 3.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 21 oktober 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.288,58, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.J.M. Hendriks en door mr. V.E.J.A. Boots in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.