Arbeidsrecht
Arbeidszaak. Vernietiging ontslag op staande voet. Wel ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de g-grond…
Rechtbank Amsterdam, 20 oktober 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:10461 · Rechtbank Amsterdam · 20 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/civiel-recht/arbeidsrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbams-2026-10461
Zaakgegevens
Op 20 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over arbeidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 20 oktober 2026
- Datum publicatie
- 26 oktober 2026
- Zaaknummer
- 12337803 \ EA VERZ 26-948
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Arbeidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:10461
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Arbeidszaak. Vernietiging ontslag op staande voet. Wel ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de g-grond (verstoorde arbeidsverhouding). Toekenning transitievergoeding en billijke vergoeding.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 12337803 \ EA VERZ 26-948
Beschikking van 20 oktober 2026
in de zaak van
[verzoeker] ,
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. R.F. Ronday,
tegen
OZ PLANTEN B.V.,
te Aalsmeer,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: OZP,
gemachtigde: mr. E.A. Pluijm.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- het verweerschrift, met een tegenverzoek
- aanvullende stukken van [verzoeker] van 25 september 2026
- aanvullende stukken van OZP van 23 september 2026
- de mondelinge behandeling van 29 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2 De feiten
[verzoeker] , geboren [geboortedag] 1971, is sinds 1 november 2025 in dienst bij OZP. De functie van [verzoeker] is [functie] met een loon van € 9.000,00 bruto per maand exclusief vakantietoeslag. Ook hebben partijen een bonusregeling afgesproken.
In de arbeidsovereenkomst is opgenomen:
‘Artikel 12. Geheimhouding
Zowel tijdens als na afloop van jouw dienstverband wordt van jou verwacht dat jij alle (en zeker vertrouwelijke) informatie met betrekking tot de onderneming van OZ Planten B.V. en de daaraan gelieerde bedrijven, klanten, leveranciers, zakelijke dienstverleners en overige relaties geheimhoudt. Dit geldt ook voor wachtwoorden voor computernetwerken, intranetverbindingen, beveiliging- en toegangssystemen.
Als je deze geheimhoudingsplicht schendt, kan OZ Planten B.V. maatregelen nemen die gevolgen hebben voor jouw dienstverband. Daarnaast moet je per overtreding van dit artikel een boete van € 10.000,- betalen aan de werkgever. Zij kan de boete meteen opeisen op het moment dat de overtreding heeft plaatsgevonden. Ook kan zij besluiten om van jou te eisen dat jij, in plaats van de boete, een schadevergoeding van de daadwerkelijk geleden schade betaalt. Met deze bepaling wordt expliciet afgeweken van artikel 7:650 BW.
Artikel 13. Bedrijfseigendommen
Je bent verplicht om onmiddellijk bedrijfseigendommen bij OZ Planten B.V. in te leveren en (digitale) kopieën daarvan op jouw privé apparatuur te vernietigen als de werkgever daarom verzoekt, of indien jouw arbeidsovereenkomst eindigt en het jouw laatste werkdag is. Onder bedrijfseigendommen wordt onder meer verstaan werklaptops, werktelefoons, bedrijfspassen, bedrijfskleding, gegevens, bescheiden, correspondentie, aantekeningen, modellen en geautomatiseerde bestanden.
Als dit artikel schendt, kan OZ Planten B.V. maatregelen nemen die gevolgen hebben voor jouw dienstverband. Daarnaast moet je per overtreding van dit artikel een boete van € 1.000,- betalen aan de werkgever, die met € 500,- toeneemt per dag dat de overtreding voortduurt.. Zij kan de boete meteen opeisen op het moment dat de overtreding heeft plaatsgevonden. Ook kan zij besluiten om van jou te eisen dat jij, in plaats van de boete, een schadevergoeding van de daadwerkelijk geleden schade betaalt. Met deze bepaling wordt expliciet afgeweken van artikel 7:650 BW.’
Op 10 juni 2026 heeft [verzoeker] van [functie] van OZP, [naam 1] , gehoord dat er klachten waren over zijn functioneren en het draagvlak bij de verkoopmedewerkers. Op 11 juni 2026 is [verzoeker] vrijgesteld van werkzaamheden, waarbij hij nog tot 1 juli 2026 toegang zou houden tot de systemen van OZP. Op 15 juni 2026 heeft [verzoeker] een concept vaststellingsovereenkomst van OZP ontvangen.
OZP heeft door DataExpert een onderzoek laten doen, toen bleek dat een document onvindbaar was. In een rapport van 7 september 2026 concludeert DataExpert dat [verzoeker] in de periode van 11 juni 2026 tot 19 juni 2026 748 bestanden heeft geopend, 763 bestanden heeft overgezet naar een externe harde schijf en 314 bestanden en mappen heeft verwijderd.
Op 19 juni 2026 meldt [verzoeker] zich ziek. OZP heeft met deze ziekmelding niets gedaan.
Op 19 juni 2026 heeft OZP [verzoeker] de toegang tot de systemen ontzegd. Dit is per e-mail aan [verzoeker] gemeld en [verzoeker] is in de gelegenheid gesteld uiterlijk 23 juni 2026, 12:00 uur, uitleg te geven over de wijzigingen die zijn aangebracht in de ICT-systemen. Hierbij wordt [verzoeker] er op gewezen dat OZP zich alle rechten en rechtsmaatregelen voorbehoudt.
Op 23 juni 2026 legt [verzoeker] uit, dat hij privé-bestanden en -gegevens heeft verwijderd, werkgerelateerde bestanden heeft verwijderd om tot een georganiseerde map te komen voor een overdracht. Ook zegt [verzoeker] enkele bestanden te hebben gedownload om deze te bekijken voordat hij van de systemen wordt afgesloten en dat hij e-mails naar zichzelf heeft doorgestuurd.
Bij brief van 23 juni 2026 zegt OZP [verzoeker] ontslag op staande voet aan.
OZP laat weten dat uit onderzoek naar voren is gekomen dat:
-
[verzoeker] zonder toestemming bestanden en bedrijfsinformatie heeft verwijderd uit systemen van OZP;
-
deze bestanden betrekking hadden op informatie die van belang is voor de bedrijfsvoering van OZP;
-
deze handelingen bewust en doelgericht hebben plaatsgevonden;
-
[verzoeker] wist, althans behoorde te weten, dat deze informatie eigendom is van OZP en uitsluitend ten behoeven van de bedrijfsvoering van OZP wordt gebruikt;
-
het handelen van [verzoeker] de bedrijfsvoering van OZP heeft geschaad dan wel ernstig heeft kunnen schaden.
Voor het ontslag op staande voet wordt als reden gegeven, dat [verzoeker] in strijd heeft gehandeld met:
- artikel 7:611 BW (goed werknemerschap);
- de contractuele verplichtingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst;
- de verplichting om zorgvuldig om te gaan met bedrijfsinformatie en bedrijfseigendommen;
- de belangen van OZP.
[verzoeker] heeft op 26 juni 2026 bezwaar aangetekend tegen het ontslag op staande voet. Dit bezwaar is door OZP niet gehonoreerd.
3 Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter, uitvoerbaar bij voorraad:
I. het gegeven ontslag op staande voet te vernietigen en te bepalen dat OZP verplicht is het salaris c.a., c.q. het verschuldigde ziektegeld aan [verzoeker] door te betalen vanaf de datum van het gegeven ontslag op staande voet, vermeerderd met de wettelijke verhoging wegens vertraging en de wettelijke rente.
II. Bij incidenteel verzoek te bepalen dat OZP verplicht is het salaris c.a., c.q. het verschuldigde ziektegeld aan [verzoeker] door te betalen vanaf de datum van het gegeven ontslag op staande voet, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente wegens vertraging ad 50% tot de dag dat de dienstbetrekking rechtsgeldig is geëindigd.
III. OZP te gelasten binnen 24 uur na de in deze te wijzen beslissing de ziekmelding van [verzoeker] in behandeling te nemen op de wijze zoals geldend binnen het verzuimtraject in de onderneming van OZP, op straffe van een dwangsom van € 5.000,-- voor iedere dag dat werkgever hiermee in gebreke blijft althans binnen zodanige termijn en met een zodanige dwangsom als U.E.A in goede Justitie zal vermenen te behoren.
IV. Subsidiair, nu [verzoeker] zich niet ernstig verwijtbaar heeft gedragen en werkgever zich niet als goed werkgever heeft gedragen aan [verzoeker] toe te kennen de transitievergoeding en een billijke vergoeding overeenkomend met 1 jaarsalaris.
V. Al het vorenstaande met veroordeling van OZP in de kosten in het geding daaronder begrepen een bedrag aan salaris van de gemachtigde/advocaat van [verzoeker]
VI. Althans zodanige beslissingen te nemen als U. E.A. rechtens juist acht.
OZP voert verweer en stelt dat alle verzoeken van [verzoeker] moeten worden afgewezen. OZP vordert als tegenverzoeken om [verzoeker] te veroordelen tot:
I. a. betaling binnen veertien dagen na de beschikking van de boete van € 10.000,= althans een in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2026, in verband met schending van het geheimhoudingsbeding;
b. binnen twee dagen na de beschikking onderbouwd aan OZP aan te geven welk gegevens en informatie die eigendom zijn van OZP hij nog in zijn bezit heet en deze informatie aan OZP te retourneren althans – in overleg met OZP – te vernietigen onder overlegging van deugdelijk bewijs daarvan, op straffe van een dwangsom van € 10.000,= voor iedere dag dat [verzoeker] hiermee in gebreke blijft, onverminderd het recht van OZP om in voorkomend geval de contractuele boet zoals bedoeld in artikel 13 van de arbeidsovereenkomst te vorderen;
c. betaling binnen veertien dage na de beschikking van de boete van € 1.000,=, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, en van € 500,= per dag, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag dat de overtreding blijft voortduren vanaf 23 juni 2026, vermeerderd met de wettelijke rente, in verban met schendig van het beding ten aanzien van bedrijfseigendommen;
II. Voorwaardelijk, voor het geval het ontslag op staande voet wordt vernietigd, verzoekt OZP de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te ontbinden per de eerst mogelijke datum, primair op grond van artikel 7:669 lid 3 sub 3 BW, subsidiair op grond van artikel 7:669 lid 3 sub g BW, dan wel meer subsidiair op grond van artikel 7:669 lid 3 sub i BW, zonder toekenning van een transitievergoeding;
III. Een en ander met veroordeling van [verzoeker] in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als [verzoeker] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de beschikking voldoet tot aan de dag van volledige betaling, en met uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking.
Op stellingen van partijen zal bij de beoordeling – voorzover van belang – nader in worden gegaan.
4 De beoordeling van het verzoek
Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd en of OZP moet worden veroordeeld tot betaling van loon.
De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. De kantonrechter legt hierna uit hoe tot dit oordeel is gekomen.
De kantonrechter dient te beoordelen of de redenen die OZP aan het ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd als een dringende reden kwalificeren als bedoeld in artikel 7:677 BW en of er onverwijld is opgezegd, onder onverwijlde mededeling van die reden. Volgens artikel 7:678 lid 1 BW worden voor de werkgever als dringende redenen voor een ontslag op staande voet beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van het ontslag moeten de omstandigheden van het geval in onderlinge samenhang worden bezien. De aard en de ernst van het gedrag van de werknemer spelen daarbij een rol, evenals de duur van de arbeidsovereenkomst en ook de (persoonlijke) omstandigheden van de werknemer en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor de werknemer heeft.
Voor de beoordeling van het gegeven ontslag moet worden gekeken naar de door OZP gevolgde procedure en naar de redenen, die OZP aan het ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd.
Ten aanzien van de procedure valt op, dat OZP na een schriftelijke reactie van [verzoeker] op door OZP gestelde vragen, direct is overgegaan tot het (schriftelijk) geven van ontslag op staande voet. Naar inzicht van de kantonrechter had een gesprek tussen partijen op dat moment meer voor de hand gelegen. [verzoeker] is zodoende niet in de gelegenheid geweest zijn antwoorden toe te lichten, zodat aan het vereiste van wederhoor niet is toegekomen. Het niet voldoen aan dat vereiste kan alleen buiten beschouwing blijven, als van zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van werknemer sprake is, dat in redelijkheid niet verwacht mocht worden dat aan dit vereiste zou worden voldaan.
Uitgangspunt voor de beoordeling van de aan [verzoeker] verweten gedragingen is, dat hij op het moment dat hij de digitale bestanden bewerkte, toegang had tot deze bestanden. Weliswaar was [verzoeker] – op initiatief van OZP – vrijgesteld van werkzaamheden, maar [verzoeker] heeft aangevoerd dat hij tot 1 juli 2026 toegang zou houden tot de gegevens van OZP. Dit is als zodanig niet betwist door OZP. Evenmin is betwist dat een of meerdere dossiers moesten worden overgedragen.
Voor het beoordelen van het gegeven ontslag op staande voet, moet worden gekeken naar de handelingen, die OZP daarvoor als grondslag heeft aangevoerd. Deze zijn:
- [verzoeker] zonder toestemming bestanden en bedrijfsinformatie heeft verwijderd uit systemen van OZP;
- deze bestanden betrekking hadden op informatie die van belang is voor de bedrijfsvoering van OZP;
- deze handelingen bewust en doelgericht hebben plaatsgevonden;
- [verzoeker] wist, althans behoorde te weten, dat deze informatie eigendom is van OZP en uitsluitend ten behoeven van de bedrijfsvoering van OZP wordt gebruikt;
- het handelen van [verzoeker] de bedrijfsvoering van OZP heeft geschaad dan wel ernstig heeft kunnen schaden.
Zoals hiervoor vastgesteld, had [verzoeker] ten tijde van het bekijken etc. van de digitale bestanden normaal toegang tot de digitale werkruimte van OZP en was daarmee bevoegd met deze bestanden om te gaan. Dat hij bestanden heeft verwijderd – waarvoor [verzoeker] ter zitting ook een verklaring heeft gegeven – was iets dat hem op dat moment niet verboden was. Dat het niet handig is geweest om bestanden te verwijderen, die voor de bedrijfsvoering nodig zijn, is natuurlijk evident, maar een grond voor een ontslag op staande voet levert dit niet op. Dat [verzoeker] dit bewust en doelgericht heeft gedaan, is niet gebleken. Ook schade aan de bedrijfsvoering, anders dan tijd, geld en moeite om de bestanden weer te herstellen, is evenmin gebleken.
Niet gebleken is dat [verzoeker] het geheimhoudingsbeding heeft overtreden. Weliswaar heeft hij een groot aantal bestanden gedownload, maar niet gebleken is dat deze informatie is gedeeld. Overtreding van dit beding is derhalve niet aan de orde.
OZP heeft in haar brief van 19 juni 2026 aan [verzoeker] gevraagd om bedrijfseigendommen, bedrijfsinformatie of gegevensdragers onmiddellijk aan OZP ter beschikking te stellen. Aan dit verzoek heeft [verzoeker] niet voldaan, zo heeft [verzoeker] ter zitting uiteen gezet, omdat hij deze stukken nodig heeft om zich in een eventuele procedure tegen de aantijgingen van OZP te verweren en zullen bij een regulier einde van de arbeidsovereenkomst worden geretourneerd.
Overtreding van deze bepaling is derhalve aan de orde, maar nu niet is gebleken dat [verzoeker] onzorgvuldig met deze bestanden is omgegaan, niet is gebleken dat [verzoeker] het geheimhoudingsbeding heeft geschonden en [verzoeker] heeft gesteld na een regulier einde van de arbeidsovereenkomst de bestanden te zullen retourneren, is deze overtreding geen voldoende reden om een ontslag op staande voet te kunnen dragen. Daarbij komt bovendien, dat deze handeling als zodanig ook niet in de ontslagbrief is opgenomen als handeling, waarop het ontslag op staande voet is gegrond.
[verzoeker] heeft recht op loon c.q. ziektegeld, omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd en de arbeidsovereenkomst dus voortduurt. De vordering van [verzoeker] tot loonbetaling zal daarom eveneens worden toegewezen. De gevorderde wettelijke verhoging en de wettelijke rente zullen ook worden toegewezen, omdat OZP te laat heeft betaald. De wettelijke verhoging zal worden gematigd tot 25%.
Het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen voor de duur van de procedure. Deze procedure is echter al geëindigd doordat een beslissing wordt genomen op het verzoek van [verzoeker].
[verzoeker] heeft zich op 19 juni 2026 ziek gemeld. Zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt, dient OZP de ziekmelding in behandeling te nemen en het geldende verzuimtraject op te starten en te volgen, startend met het inschakelen van de bedrijfsarts of arbodienst. De hierop gerichte vordering van [verzoeker] zal worden toegewezen als na te melden. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt en gemaximeerd.
In het kader van het verzoek van [verzoeker] heeft OZP – bij instandhouding van het ontslag op staande voet – verzocht [verzoeker] te veroordelen tot het betalen van boetes. Nu het ontslag op staande voet niet in stand blijft, worden deze verzoeken afgewezen.
5 De beoordeling van het tegenverzoek
Op het verzoek van OZP om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, moet worden beslist. De voorwaarde waaronder OZP dat verzoek heeft gedaan, is namelijk vervuld, omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd. Omdat [verzoeker] niet in het ontslag op staande voet heeft berust, moet de arbeidsovereenkomst geacht worden gewoon te zijn doorgelopen vanaf het moment van opzegging en moeten de door OZP aangevoerde gronden worden beoordeeld alsof er geen ontslag op staande voet is gegeven. Dit ontslag moet als het ware worden weggedacht.
Voordat naar de door OZP aangevoerde gronden wordt gekeken, moet eerst worden beoordeeld of sprake is van een opzegverbod.
[verzoeker] heeft zich op 19 juni 2026 ziek gemeld bij OZP. OZP heeft met deze ziekmelding niets gedaan. Daarnaar expliciet gevraagd ter zitting, heeft OZP gesteld dat de ziekmelding los staat van een eventuele ontbinding. Uit het door [verzoeker] ingenomen standpunt valt niet op te maken dat het verzoek van OZP tot ontbinding verband houdt met zijn arbeidsongeschiktheid, zodat de conclusie moet zijn dat het opzegverbod niet van toepassing is.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.
De eerste grond die OZP aanvoert, is dat [verzoeker] verwijtbaar handelen of nalaten heeft getoond. Daarvan is geen sprake. Het is juist dat [verzoeker] een grote hoeveelheid gegevens heeft gekopieerd en mails en bestanden heeft verwijderd. Op het moment dat [verzoeker] dit deed, had hij volledige toegang tot deze gegevens. Dat hij geen enkele zakelijke noodzaak had bij deze informatie is niet gebleken. Het klopt dat OZP [verzoeker] vrijgesteld had van arbeid, maar onbetwist is dat enige overdracht van werkzaamheden nog moet plaatsvinden. De kantonrechter is bovendien van mening dat [verzoeker] enig belang had bij deze informatie, nu een reële mogelijkheid bestond dat partijen er niet met een vaststellingsovereenkomst uit zouden komen en [verzoeker] zich inhoudelijk zou moeten verweren in een gerechtelijke procedure. De voorwaarde hierbij is uiteraard dat [verzoeker] zich houdt aan de overeengekomen bedingen, zoals het geheimhoudingsbeding, maar niet is gebleken of aannemelijk geworden dat [verzoeker] zich niet aan deze bedingen zou hebben gehouden. De kantonrechter is daarom van mening dat er geen sprake is van een verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] .
OZP heeft voorts aangevoerd dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. Daarnaar gevraagd heeft [verzoeker] verklaard, dat hij er geen vertrouwen in heeft, dat hij met de huidige directeur nog constructief kan samenwerken bij OZP. Dit betekent dat beide partijen het erover eens zijn, dat de arbeidsverhouding verstoord is.
Herplaatsing van [verzoeker] binnen een redelijke termijn is niet mogelijk en/of ligt niet in de rede. Daarbij is het volgende van belang. [verzoeker] stelt dat het huidige contract van [functie] nog tot juli 2027 loopt. Dit is in de ogen van de kantonrechter geen redelijke termijn. Ook heeft [verzoeker] gesteld dat OZP onderdeel uitmaakt van een grotere organisatie, de Dutch Flower Group, waarbinnen voor [verzoeker] een andere functie beschikbaar moet zijn. OZP heeft betwist dat binnen deze organisatie ruimte is en dit is niet nader geconcretiseerd. De kantonrechter moet er hierdoor van uit gaan, dat binnen het concernverband van OZP ook geen herplaatsingsmogelijkheden bestaan.
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 1 december 2026. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure, met een minimum van een maand.
[verzoeker] heeft recht op een transitievergoeding die wordt vastgesteld op € 3.810,92 bruto. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt ook toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 januari 2027.
De kantonrechter ziet aanleiding om aan [verzoeker] een billijke vergoeding toe te kennen. Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Dat zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen en als een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt. Bij de beoordeling of de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. In dit geval is sprake van dergelijk ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Dat wordt als volgt toegelicht. OZP heeft [verzoeker] op 1 november 2025, nadat [verzoeker] al een periode als ZZP-er bij OZP werkzaam was, een contract voor onbepaalde tijd aangeboden. [verzoeker] is hierop ingegaan. Na een wijziging in de leiding van OZP wordt [verzoeker] dan in juni 2026, een half jaar na indiensttreding, zonder overleg vrijgesteld van werkzaamheden en is hem een vaststellingsovereenkomst aangeboden. Kennelijk is dit gebaseerd op klachten van medewerkers. Het was bij indiensttreding van [verzoeker] al duidelijk, dat medewerkers een andere visie op de werkwijze bij OZP hadden dan [verzoeker] . Dat er kritiek op zijn functioneren zou komen, was voorzienbaar. Voor [verzoeker] was daardoor niet voorzienbaar, dat bij het aantreden van een nieuwe leidinggevende van OZP direct de positie van [verzoeker] werd geofferd, zodra er kritiek op diens functioneren kwam. [verzoeker] is hierover ook niet gehoord, hem is geen gelegenheid gegeven te reageren, maar direct is hij vrijgesteld van werkzaamheden en is hem een vaststellingsovereenkomst aangeboden. [verzoeker] is geen gelegenheid geboden om iets met de klachten van de medewerkers te doen, laat staan dat OZP heeft aangeboden hier een (verbeter-)traject voor af te spreken met [verzoeker] . Dit acht de kantonrechter ernstig verwijtbaar.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van de ontbinding kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
[verzoeker] meent dat een jaarsalaris een juiste billijke vergoeding zou zijn. Dit is niet nader onderbouwd. Het zal [verzoeker] enige tijd kosten om een nieuwe betrekking te vinden. De overige omstandigheden, zoals de slechtere concurrentiepositie van [verzoeker] en de inbreng van al zijn contacten bij OZP, zijn door [verzoeker] niet nader onderbouwd. De kantonrechter zal daarom een billijke vergoeding toekennen van drie maandsalarissen, € 29.500,00 bruto. Hierbij neemt de kantonrechter in aanmerking, dat indien OZP in juni 2026 een traject was gestart met [verzoeker] en de klagende medewerkers, dit traject vier tot zes maanden zou hebben geduurd waarbij – indien geen oplossing zou zijn gevonden – een ontbindingsprocedure zou zijn gevolgd, waarmee ongeveer twee maanden zou zijn gemoeid. Daarmee zou de arbeidsovereenkomst uiterlijk 1 maart 2027 zijn geëindigd en tot die datum dient [verzoeker] te worden gecompenseerd.
OZP zal dus worden veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 29.500,00 bruto. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.
OZP krijgt de gelegenheid om het verzoek in te trekken, binnen de hierna genoemde termijn, omdat aan de ontbinding een billijke vergoeding wordt verbonden.
6 Proceskosten
De proceskosten van het verzoek komen voor rekening van OZP, omdat OZP ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van OZP. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 1.102,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De kantonrechter zal bepalen dat partijen in het tegenverzoek ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de aard van de zaak daartoe aanleiding geeft.
Als OZP het verzoek intrekt, zal OZP de proceskosten van [verzoeker] in het tegenverzoek moeten betalen.
7 De beslissing
De kantonrechter
op het verzoek
vernietigt het ontslag op staande voet,
veroordeelt OZP tot betaling aan [verzoeker] van het loon/ziektegeld vanaf 23 juni 2026, te vermeerderen met de wettelijke verhoging met een maximum van 25% en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 oktober 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
gelast OZP binnen 24 uur na betekening van deze beschikking de ziekmelding van [verzoeker] in behandeling te nemen, op de wijze zoals geldend binnen het verzuimtraject in de onderneming van OZP, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat OZP hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 15.000,-,
veroordeelt OZP in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als OZP niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
veroordeelt OZP tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
stelt OZP in de gelegenheid om het verzoek uiterlijk 3 november 2026 in te trekken, door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van de) wederpartij,
Voor het geval OZP het verzoek niet binnen die termijn intrekt:
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 december 2026,
veroordeelt OZP om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 3.810,92 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2027, tot aan de dag van de gehele betaling,
veroordeelt OZP om aan [verzoeker] een billijke vergoeding te betalen van € 29.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling,
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
Voor het geval OZP het verzoek binnen die termijn intrekt:
veroordeelt OZP in de proceskosten van € 865,00 aan salaris voor de gemachtigde van [verzoeker] en € 144,00 aan nakosten, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als OZP niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.J. Wesdorp en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2026.