Civiel recht overig

Tussenvonnis. Na een eerder tussenvonnis, krijgt eiser nogmaals de gelegenheid zijn stellingen te onderbouwen…

Rechtbank Midden-Nederland, 16 april 2025

Zaakgegevens

Op 16 april 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
16 april 2025
Datum publicatie
17 april 2025
Zaaknummer
11247653
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2025:1769
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Tussenvonnis. Na een eerder tussenvonnis, krijgt eiser nogmaals de gelegenheid zijn stellingen te onderbouwen in een akte. (ZIE OOK: ECLI:NL:RBMNE:2025:4077)

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: 11247653 \ UC EXPL 24-5259

Vonnis van 16 april 2025

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: Juristu Incasso Juristen B.V.,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats 2] ,
2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] c.s.,

procederend in persoon van gedaagde sub 1.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 12 februari 2025,
- de akte van [eiser] van 25 februari 2025,
- de akte van [gedaagde sub 1] c.s. van 11 maart 2025.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

In het tussenvonnis van 12 februari 2025 heeft de kantonrechter [eiser] de gelegenheid gegeven om een akte te nemen om daarin te onderbouwen hoe hoog het CPI percentage was waarmee hij per 1 juli 2023 de huur van [gedaagde sub 1] c.s. mocht verhogen.

2.2.

[eiser] heeft als onderbouwing van zijn vordering twee producties overgelegd. Ten eerste een brief van 20 april 2023, waarin [eiser] aan [gedaagde sub 1] c.s. mededeelt dat hij de huurprijs zal verhogen. Ook heeft [eiser] een berekening van de gewijzigde huurprijs van de website van het Centraal Bureau van de Statistiek (hierna: CBS) overgelegd. [gedaagde sub 1] c.s. heeft hier op gereageerd in een akte en zegt dat [eiser] de verkeerde variabelen heeft gebruikt in de berekening van de nieuwe huurprijs. Ook zegt hij dat de huurverhoging moet worden afgewezen, omdat hij de brief van [eiser] niet heeft ontvangen en de huurverhoging nooit is aangezegd.

2.3.

Over dit tweede argument van [gedaagde sub 1] c.s. merkt de kantonrechter op dat in de huurovereenkomst staat dat de huur jaarlijks wordt geïndexeerd aan de hand van het CPI percentage. [eiser] had [gedaagde sub 1] c.s. hier dan ook geen brief over hoeven sturen. Aangezien de verhoging duidelijk in de overeenkomst staat, wist [gedaagde sub 1] c.s. dat de huur verhoogd zou worden en had [gedaagde sub 1] c.s. hier ook zelf naar kunnen informeren bij [eiser] .

2.4.

[gedaagde sub 1] c.s. merkt echter terecht op dat [eiser] in zijn berekening verkeerde variabelen heeft gebruikt. In de overeenkomst staat hier het volgende over opgenomen:

‘De huurprijs wordt jaarlijks, voor het eerst na 1 mei 2002, en zo vervolgens gewijzigd overeenkomstig de wijziging van het maandprijsindexcijfer volgens de consumentenprijsindex (CPI) reeks CPI-werknemers Laag (1990 =100) gepubliceerd door het Centraal Buro voor de Statistiek (CBS).’

In zijn berekening in de akte van 25 februari heeft [eiser] niet gerekend met het maandprijsindexcijfer, maar met het jaarprijsindexcijfer. Ook heeft [eiser] als basisjaar het jaar 2015 gebruikt en niet het jaar 1990. [eiser] heeft daarnaast niet duidelijk gemaakt van welke maand het maandprijsindexcijfer gebruikt zou moeten worden.

2.5.

Omdat wel vaststaat dat de huur verhoogd mocht worden, krijgt [eiser] nogmaals de gelegenheid om de huurprijsverhoging in een akte toe te lichten. Om te onderbouwen van welke maand moet worden uitgegaan, kan [eiser] laten zien hoe eerdere indexeringen zijn berekend.

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 14 mei 2025 voor het nemen van een akte door [eiser] over wat is vermeld onder 2.5,

3.2.

bepaalt dat [gedaagde sub 1] c.s. de gelegenheid krijgt uiterlijk twee weken daarna op de akte van [eiser] te reageren,

3.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2025.

62938