Civiel recht overig
Betreft een vordering op grond van kennelijk onbehoorlijk bestuur ex art. 2:248 lid 2 en/of lid 1 BW dan wel…
Rechtbank Midden-Nederland, 15 januari 2025
ECLI:NL:RBMNE:2025:1771 · Rechtbank Midden-Nederland · 15 januari 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2025-1771
Zaakgegevens
Op 15 januari 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 15 januari 2025
- Datum publicatie
- 17 april 2025
- Zaaknummer
- C/16/585410 / HA ZA 24-612
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2025:1771
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Betreft een vordering op grond van kennelijk onbehoorlijk bestuur ex art. 2:248 lid 2 en/of lid 1 BW dan wel op grond van art. 6:162 BW jo. art. 2:9 BW. De curator heeft gedaagde aansprakelijk gesteld voor het tekort in het faillissement. Voorts vernietigt de curator rechtshandelingen op grond van pauliana ex art. 42 Fw. Gedaagde is bij verstekvonnis d.d. 15 januari 2025 veroordeeld door de Rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
handelskamer
locatie Utrecht
zaaknummer / rolnummer: C/16/585410 / HA ZA 24-612
Vonnis van 15 januari 2025
in de zaak van
MR. BASTIAAN ROBBERT ROLEVINK,
kantoorhoudende te Utrecht, in zijn in hoedanigheid van curator in het faillissement
van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ALMG PEOPLE B.V.,
statutair gevestigd te Nieuwegein,
eiser,
advocaat mr. Y.J.R.C. Panhuizen,
tegen
[gedaagde] ,
van wie geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is,
volgens de Registratie Niet-Ingezetenen, wonende te [woonplaats] , Duitsland,
gedaagde,
niet verschenen.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaardingen d.d. 5 september 2024;
-
het Formulier K d.d. 1 oktober 2024 van de Verordening (EU) 2020/1784;
-
overlegging van een kopie uittreksel van het openbaar exploot d.d. 5 september 2024
in de Staatscourant d.d. 9 september 2024;
- een overzicht van de beslagstukken, waaronder een kopie uittreksel van het openbaar exploot (kennisgeving van de beschikking d.d. 15 augustus 2024 tot beslaglegging)
in de Staatcourant d.d. 26 augustus 2024;
- het tegen gedaagde verleende verstek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De beoordeling
Omdat gedaagde woonachtig is in Duitsland heeft de vordering een internationaal karakter. Dan dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen. Gelet op de vorderingen van eiser zijn daarvoor de bepalingen van Verordening (EU) 2015/848 betreffende insolventieprocedures (IVO) van bepalend. Uit artikel 6 IVO volgt dat de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van de vordering. Gelet op hetgeen in artikel 106 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering is bepaald, is de rechtbank Midden-Nederland relatief bevoegd.
Uit artikel 7 IVO volgt verder dat op de vorderingen van eiser ook Nederlands recht van toepassing is.
Gedaagde is niet verschenen en heeft geen verweer gevoerd tegen
de vordering en hetgeen daaraan ten grondslag is gelegd. Daarom wordt uitgegaan van
de juistheid van de stellingen van eiser. In dat licht komt het gevorderde de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal worden toegewezen, met inachtneming van
het volgende.
Eiser vordert gedaagde te veroordelen tot betaling van de beslagkosten.
Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 707,18 voor verschotten en € 2.714,00 voor salaris advocaat (1 rekest x € 2.714,00).
Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten (inclusief nakosten) worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van eiser worden begroot op:
- dagvaardingen € 239,36 (€ 112,99 + € 126,37)
- griffierecht 2.626,00
- salaris advocaat 2.714,00 (1,0 punt × tarief € 2.714,00)
- nakosten 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 5.757,36
De gevorderde wettelijke rente over de beslagkosten en de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3 De beslissing
De rechtbank
veroordeelt gedaagde om aan eiser te betalen een bedrag van € 242.776,88 (tweehonderdentweeënveertigduizend zevenhonderdenzesenzeventig euro en achtentachtig eurocent),
verklaart voor recht dat de door eiser bij brief d.d. 3 mei 2024 ingeroepen buitengerechtelijke vernietiging op grond van artikel 42 van de Faillissementswet juncto artikel 45 van de Faillissementswet en/of artikel 43 van de Faillissementswet gegrond is,
veroordeelt gedaagde in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 3.421,18,
veroordeelt gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van eiser tot op heden begroot op € 5.757,36, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe.
Als gedaagde niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet gedaagde € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
veroordeelt gedaagde in de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over
de beslagkosten en de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving
zijn voldaan,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. van Rens en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2025.