Civiel recht overig

Ontbinding arbeidsovereenkomst op grond van een verstoorde arbeidrelatie onder tokenning van een…

Rechtbank Midden-Nederland, 7 juli 2026

Zaakgegevens

Op 7 juli 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Almere
Datum uitspraak
7 juli 2026
Datum publicatie
18 juli 2026
Zaaknummer
12226940 \ ME VERZ 26-60 BW 31650
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:4480
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Ontbinding arbeidsovereenkomst op grond van een verstoorde arbeidrelatie onder tokenning van een eeindigngsvergoeding

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Almere

Zaaknummer / rekestnummer: 12226940 \ ME VERZ 26-60 BW 31650

Beschikking van 7 juli 2026

in de zaak van

[verzoekster] B.V.,

te [plaats] ,

verzoekende partij,

verwerende partij in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,

hierna te noemen: [verzoekster] ,

gemachtigde: mr. E.W. Kingma,

tegen

[verweerster] ,

te [plaats] ,

verwerende partij,

verzoekende partij in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,

hierna te noemen: [verweerster] ,

gemachtigde: [gemachtigde] .

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met 42 producties (ingekomen op 13 mei 2026),

- het verweerschrift met 54 producties,

- het voorwaardelijk tegenverzoek van [verweerster] ,

- de aanvullende producties 43-48 van [verzoekster] ,

- de aanvullende productie 55 van [verweerster] ,

- het bezwaar van [verweerster] tegen de aanvullende producties van [verzoekster] .

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 juli 2026. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat besproken is tijdens de zitting. Beide gemachtigden hebben de standpunten nader toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen. Deze zijn aan het procesdossier toegevoegd.

1.3

De beschikking is bepaald op vandaag.

2 De beoordeling

2.1

Aan het verzoek om de arbeidsovereenkomst te ontbinden legt [verzoekster] ten grondslag dat de arbeidsverhouding duurzaam en onherstelbaar is verstoord en dat herplaatsing van [verweerster] niet meer mogelijk is.

2.2

[verweerster] erkent dat de arbeidsverhouding inmiddels zodanig is verstoord dat van [verzoekster] in redelijkheid niet meer kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ook [verweerster] ziet geen mogelijkheden meer voor herplaatsing.

2.3

De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst ontbinden. Gelet op de standpunten van partijen bestaat een redelijke grond voor ontbinding, namelijk een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van [verzoekster] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daarbij is er geen mogelijkheid tot herplaatsing van [verweerster] . Het eindigen van de arbeidsovereenkomst is niet aan [verweerster] te wijten.

2.4

De kantonrechter heeft zich er van vergewist dat het verzoek geen verband houdt met het bestaan van een opzegverbod.

2.5

De arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden met ingang van 1 september 2026. Daarbij is rekening gehouden met een minimale opzegtermijn van een maand.

2.6

Partijen zijn het er ook over eens dat [verweerster] aanspraak heeft op een beëindigingsvergoeding van € 10.000,00 bruto. [verzoekster] zal daarom worden veroordeeld tot betaling van die vergoeding.

2.7

Gezien de uitkomst van de zaak is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 september 2026,

3.2

veroordeelt [verzoekster] om aan [verweerster] een beëindigingsvergoeding te betalen van € 10.000,00 bruto,

3.3

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,

3.4

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.