Civiel recht overig

Betaling facturen voor diensten.

Rechtbank Midden-Nederland, 22 juli 2026

Zaakgegevens

Op 22 juli 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Almere
Datum uitspraak
22 juli 2026
Datum publicatie
2 augustus 2026
Zaaknummer
12124160 \ MC EXPL 26-1138
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:5096
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Betaling facturen voor diensten.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Almere

Zaaknummer: 12124160 \ MC EXPL 26-1138

Vonnis van 22 juli 2026

in de zaak van

[eiser] ,

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: mr. O.J. Boeder,

tegen

[gedaagde] B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

vertegenwoordigd door [gemachtigde] .

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 25 februari 2026 met producties 1 en 2;
- de mondelinge conclusie van antwoord met bijlagen;
- de akte uitlating tevens eisvermindering van [eiser] met productie 3;
- de antwoordakte van [gedaagde] ;
- de antwoordakte van [eiser] .

1.2

De kantonrechter heeft besloten dat vandaag de uitspraak is.

2 De kern van de zaak

2.1

[eiser] heeft in opdracht van [gedaagde] diensten verleend. [eiser] heeft [gedaagde] daarvoor facturen gezonden. [gedaagde] heeft de facturen niet betaald. [eiser] vordert in deze procedure betaling van de facturen van in totaal € 7.682,29 met rente en kosten. [gedaagde] is het om verschillende redenen niet eens met de vorderingen van [eiser] .

2.2

De kantonrechter geeft [eiser] grotendeels gelijk. [gedaagde] moet aan [eiser] het bedrag van € 4.691,40, met rente en kosten, betalen.

3 De beoordeling

De hoofdsom

3.1

[eiser] vordert bij dagvaarding betaling van in totaal het bedrag van € 7.682,29. Volgens [eiser] heeft zij in opdracht van [gedaagde] diensten verleend, namelijk Google Ads Campagne, Google Shopping Campagne, Producthero Platform en SEO Consultancy (hierna: de diensten). Zij heeft op 3 december 2024, 2 januari 2025, 10 februari 2025, 5 maart 2025, 2 april 2025 en 1 mei 2025 voor de uitgevoerde diensten facturen van elk € 1.097,47 aan [gedaagde] gezonden. [gedaagde] heeft deze facturen niet betaald. [gedaagde] is, nu zij de diensten heeft uitgevoerd, gehouden deze facturen te betalen, aldus [eiser] .

3.2

[gedaagde] heeft de vordering betwist. Volgens [gedaagde] had zij een betalingsregeling met [eiser] . De termijn van december is niet betaald. Daarna werd zij gedagvaard, aldus [gedaagde] , hetgeen haar heeft verrast.

3.3

Dit deel van het verweer van [gedaagde] slaagt niet. In de dagvaarding heeft [eiser] gesteld dat [gedaagde] de betalingsregeling niet is nagekomen. Uit de brief van 3 november 2025 volgt dat de betalingsregeling is komen te vervallen (zie productie 2 bij dagvaarding). [gedaagde] heeft dit niet betwist, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid van wat [eiser] heeft gesteld. De kantonrechter stelt daarom vast dat er op het moment van dagvaarden geen lopende betalingsregeling tussen partijen was. Omdat [gedaagde] de gevorderde facturen niet (volledig) heeft betaald binnen de gestelde termijnen, mocht [eiser] dan ook overgaan tot dagvaarden.

3.4

[gedaagde] heeft niet betwist dat de gefactureerde diensten door [eiser] zijn uitgevoerd. [gedaagde] moet de gevorderde facturen dan ook betalen, waarbij rekening gehouden moet worden met de inmiddels plaatsgevonden betalingen op de wijze zoals hierna onder 3.9. wordt uitgelegd.

De wettelijke rente

3.5

[eiser] vordert een bedrag van € 757,60 aan wettelijke handelsrente tot 25 februari 2026. Volgens [eiser] is [gedaagde] in gebreke gebleven met tijdige betaling van de facturen. Door het verstrijken van de betalingstermijn is [gedaagde] in verzuim geraakt. [gedaagde] moet daarom de wettelijke handelsrente betalen, aldus [eiser] .

3.6

[gedaagde] heeft de hoogte van de berekende rente betwist. Volgens [gedaagde] was de rente in juni 2025 nog zo’n € 250,--, werd er op 11 maart 2026 een bedrag van € 757,60 aan wettelijke (handels)rente in rekening gebracht en heeft [eiser] in de procedure een specificatie met het bedrag van € 797,60 ingebracht, terwijl er op 11 maart 2026 geen rekening is gehouden met zijn betalingen van in totaal € 1.500,00. De berekende rente is dan ook niet juist, aldus [gedaagde] . Dit deel van het verweer van [gedaagde] slaagt en wel om het volgende.

3.7

Uit de dagvaarding en de akte van [eiser] volgt dat [gedaagde] op 11 september 2025, 26 september 2025, 15 oktober 2025, 30 januari 2026 en 13 februari 2026 betalingen van elk € 750,00 aan [eiser] heeft verricht. De kantonrechter kan uit de rentespecificatie in productie 3 van [eiser] , zonder nadere toelichting, niet afleiden dat bij de berekening van de wettelijke handelsrente rekening is gehouden met deze tussentijdse betalingen. Het had, gelet op het betwisting van [gedaagde] , op de weg van [eiser] gelegen om een duidelijke rentespecificatie in het geding te brengen. Dat heeft [eiser] niet gedaan. De wettelijke handelsrente wordt daarom toegewezen over de toewijsbare hoofdsom vanaf 25 februari 2026 - datum dagvaarding - tot de volledige betaling.

De buitengerechtelijke incassokosten

3.8

[eiser] vordert een bedrag van € 1.152,34 aan vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten. Uit de dagvaarding volgt dat [eiser] buitengerechtelijke incassowerkzaamheden heeft verricht. [gedaagde] heeft de verschuldigdheid van deze kosten niet betwist. De buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen tot het wettelijke tarief dat aansluit bij de omvang van de oorspronkelijke hoofdsom (van € 7.682,29), namelijk € 759,11.

De toewijzing van de betalingen van [gedaagde]

3.9

Het voorgaande leidt tot het volgende. De vordering van [eiser] bedroeg oorspronkelijk in totaal € 9.592,23 (bestaande uit € 7.682,49 aan hoofdsom, € 1.152,34 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 757,60 aan rente tot 25 februari 2026). In de dagvaarding is vermeld dat [gedaagde] op 11 september 2025, 26 september 2025 en 15 oktober 2025 een bedrag van € 750,00 heeft betaald (zijnde in totaal het bedrag van € 2.250,00 (= 3 x € 750,00)). Daarnaast heeft [eiser] erkend dat zij op 30 januari 2026 en op 13 februari 2026 een bedrag van € 750,00 van [gedaagde] heeft ontvangen (zijnde in totaal het bedrag van € 1.500,00 (= 2 x € 750,00)). [eiser] heeft echter niet vermeld op welke posten/gevorderde bedragen die betalingen in mindering zijn gebracht. Op grond van artikel 6:44 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) strekken deze betalingen eerst in mindering op de door [eiser] gemaakte kosten, daarna op de verschenen rente en ten slotte op de hoofdsom en de lopende rente. Nu de gevorderde wettelijke rente is afgewezen, strekken de betalingen eerst in mindering op de toegewezen buitengerechtelijk incassokosten van € 759,11 en daarna op de toegewezen hoofdsom van € 7.682,29. Dit betekent dat nog een bedrag van € 4.691,40 (= € 759,11 + 7.682,29 - € 2.250,00 - € 1.500,00) aan hoofdsom resteert. Dit bedrag wordt dan ook toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over dit bedrag vanaf 25 februari 2026 tot de dag van de volledige betaling.

De proceskosten

3.10

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

125,57

- griffierecht

€

559,00

- salaris gemachtigde

€

720,00

(2 punten × € 360,00)

- nakosten

€

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

1.548,57

Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard

3.11

De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen € 4.691,40, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over dit bedrag vanaf 25 februari 2026 tot de dag van de volledige betaling, waarbij rekening gehouden moet worden met de tussentijdse betalingen,

4.2

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.548,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

4.3

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4.4

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op
22 juli 2026.

HHT/37278