Civiel recht overig
Vordering van een advocaat tegen een consument. Sprake van oneerlijke bedingen met betrekking tot de…
Rechtbank Midden-Nederland, 8 juli 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:6079 · Rechtbank Midden-Nederland · 8 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2026-6079
Zaakgegevens
Op 8 juli 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 8 juli 2026
- Datum publicatie
- 1 september 2026
- Zaaknummer
- 12039697 UC EXPL 26-26
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:6079
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vordering van een advocaat tegen een consument. Sprake van oneerlijke bedingen met betrekking tot de buitengerechtelijke kosten.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 12039697 UC EXPL 26-26 MdG/60607
Verstekvonnis van 8 juli 2026
inzake
de maatschap
[eiseres] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. B. Beekman,
tegen:
[gedaagde] ,
wonende te gemeente [.] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.
1 De procedure
De eisende partij heeft een dagvaarding uitgebracht. Zij heeft gevorderd dat de gedaagde partij wordt veroordeeld om een bedrag aan haar te betalen, vermeerderd met rente en een vergoeding voor gemaakte kosten, zoals in de dagvaarding is omschreven.
De gedaagde partij heeft daar niet (op tijd) op gereageerd en niet gevraagd om op een later moment te mogen reageren. Daarom heeft de kantonrechter verstek verleend tegen de gedaagde partij.
De kantonrechter heeft op 15 april 2026 een tussenvonnis gewezen, waarop door de eisende partij bij akte is gereageerd.
Daarop volgt nu dit vonnis.
2 De beoordeling
De vordering is gebaseerd op een consumentenovereenkomst. De kantonrechter moet bij deze overeenkomst verschillende onderdelen uit zichzelf (ambtshalve) beoordelen.
Op de overeenkomst zijn de informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek van toepassing. De kantonrechter heeft geconstateerd dat aan de toepasselijke essentiële informatieplichten is voldaan.
De kantonrechter heeft ambtshalve beoordeeld of in de overeenkomst of de algemene voorwaarden onredelijk bezwarende bedingen staan die betrekking hebben op de vordering. Dat is het geval met betrekking tot de bedingen die gaan over de buitengerechtelijke kosten. Op grond van de bedingen in de algemene voorwaarden (artikel 19, 24 en 25) zijn de buitengerechtelijke kosten al verschuldigd zonder dat daarvoor een (kosteloze) aanmaning gestuurd hoeft te worden. Dat is in strijd met dwingend recht, zodat het evenwicht tussen partijen aanzienlijk wordt verstoord in het nadeel van de gedaagde partij. De bedingen worden daarom vernietigd en de gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen.
De eisende partij doet voor de gevorderde handelsrente ook een beroep op artikel 24 van de algemene voorwaarden. In dat artikel is echter niet overeengekomen dat de eisende partij wettelijke handelsrente in rekening kan brengen. Daarnaast blijkt uit productie 5 dat de rente is berekend ex artikel 6:119 BW en niet op grond van de wettelijke handelsrente. De kantonrechter kan daarom de opmerking over de handelsrente niet plaatsen, maar zal de wettelijke rente toewijzen.
De vordering komt de kantonrechter verder niet ongegrond of onrechtmatig voor en wordt toegewezen.
De gedaagde partij is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de eisende partij worden begroot op:
- dagvaarding € 120,78
- griffierecht € 1.504,00
- salaris gemachtigde € 432,00 (1 punt x tarief € 432,00)
- nakosten € 144,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.200,78
3 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de gedaagde partij om aan de eisende partij tegen bewijs van kwijting te betalen € 16.421,88, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over € 15.491,96 vanaf 11 december 2025 tot de voldoening;
veroordeelt de gedaagde partij in de proceskosten van € 2.200,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de gedaagde partij niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet de gedaagde partij ook de kosten van betekening betalen;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. Nicholson, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.