Civiel recht overig

Onbetaalde factuur moet worden betaald. Beroep op verrekening slaagt niet.

Rechtbank Midden-Nederland, 16 september 2026

Zaakgegevens

Op 16 september 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Almere
Datum uitspraak
16 september 2026
Datum publicatie
27 september 2026
Zaaknummer
12062264 \ MC EXPL 26-294
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:6609
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Onbetaalde factuur moet worden betaald. Beroep op verrekening slaagt niet.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Almere

Zaaknummer: 12062264 \ MC EXPL 26-294

Vonnis van 16 september 2026

in de zaak van

[eiser] , handelend onder de naam [handelsnaam 1] , mede handelend onder de naam [handelsnaam 2],

wonend in [plaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: De Ruijter & Willemsen gerechtsdeurwaarders en incasso B.V.,

tegen

[gedaagde] B.V.,

gevestigd in [plaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 13 januari 2026, met producties 1 tot en met 7;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 4.

1.2

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De kern van het geschil

2.1

[eiser] heeft via [gedaagde] beveiligingswerkzaamheden verricht voor het bedrijf [onderneming] . [gedaagde] zou [eiser] voor deze werkzaamheden betalen. [eiser] heeft voor de werkzaamheden een factuur van € 2.250,60 gestuurd, maar deze is door [gedaagde] niet betaald. [eiser] vordert in deze procedure betaling € 2.250,00, vermeerderd met rente en kosten. [gedaagde] is het niet eens met de vordering. Zij voert aan dat [eiser] zich negatief over haar heeft uitgelaten tegenover meerdere grote beveiligingsbedrijven. [gedaagde] stelt dat zij hierdoor schade heeft geleden en dat zij na verrekening daarvan niks meer aan [eiser] verschuldigd is. De kantonrechter komt tot het oordeel dat [gedaagde] de factuur moet betalen.

3 De beoordeling

[gedaagde] moet € 2.250,00 van de factuur betalen

3.1

Tussen [eiser] en [gedaagde] staat niet ter discussie dat [eiser] beveiligingswerkzaamheden heeft uitgevoerd. [eiser] heeft voor deze werkzaamheden € 2.250,60 in rekening gebracht bij [gedaagde] Omdat [gedaagde] niet heeft betwist dat zij dit bedrag voor de werkzaamheden verschuldigd is, gaat de kantonrechter ervan uit dat het bedrag van de factuur klopt. Verder heeft [gedaagde] onweersproken aangevoerd dat de afgesproken betalingstermijn 30 dagen is. De factuur is op 1 januari 2024 verzonden, zodat de betalingstermijn op 31 januari 2024 is verstreken. De factuur is dus opeisbaar.

3.2

Het bovenstaande betekent dat [gedaagde] het gevorderde bedrag van € 2.250,00 zal moeten betalen, tenzij [gedaagde] zich met succes kan beroepen op een rechtsgrond die aan de betalingsverplichting in de weg staat.

Het beroep op verrekening slaagt niet

3.3

[gedaagde] vindt dat zij niks meer aan [eiser] verschuldigd is. Zij doet hierbij een beroep op verrekening (artikel 6:127 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Volgens [gedaagde] heeft [eiser] een e-mail gestuurd aan meerdere grote beveiligingsbedrijven, waarin hij [gedaagde] beschuldigt van oplichting. [gedaagde] stelt dat zij hierdoor reputatieschade en financiële schade heeft geleden. Volgens [gedaagde] is deze schade vele malen groter dan het door [eiser] gevorderde bedrag. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat deze schade verrekend kan worden met de vordering van [eiser] .

3.4

Een verrekeningsverweer kan worden gepasseerd als de tegenvordering (in dit geval de schade van [gedaagde] ), niet eenvoudig is vast te stellen (artikel 6:136 BW). Dat is hier het geval. [gedaagde] heeft niet gesteld wat de omvang van de door haar geleden schade is en ze heeft de schade ook niet met stukken onderbouwd. Dit heeft tot gevolg dat het beroep op verrekening niet slaagt. De kantonrechter zal [gedaagde] daarom veroordelen om de hoofdsom van € 2.250,00 aan [eiser] te betalen.

[gedaagde] moet de wettelijke rente betalen

3.5

[eiser] vordert primair wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over het bedrag van € 2.250,00 vanaf 15 februari 2024. Subsidiair vordert [eiser] wettelijke (handels)rente vanaf de dag van de dagvaarding. [gedaagde] heeft de kantonrechter verzocht om de rente af te wijzen, omdat [eiser] dreigend zou hebben gehandeld richting [gedaagde] en haar medewerkers. De kantonrechter oordeelt dat dit geen grond oplevert om de wettelijke rente af te wijzen. Bovendien is het dreigende handelen van [eiser] , door [gedaagde] onvoldoende onderbouwd.

3.6

De kantonrechter komt tot het oordeel dat [gedaagde] de wettelijke rente is verschuldigd, omdat [gedaagde] de factuur niet binnen de betalingstermijn heeft betaald. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 15 februari 2024, tot aan de dag van de volledige betaling. Omdat de primaire vordering is toegewezen, komt de kantonrechter niet toe aan bespreking van de subsidiaire vordering.

[gedaagde] hoeft geen buitengerechtelijke incassokosten te betalen

3.7

[eiser] stelt dat zij buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt van € 337,50. [eiser] vindt dat [gedaagde] deze kosten moet vergoeden.

3.8

De kantonrechter oordeelt dat hij [gedaagde] niet kan veroordelen tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. Het petitum bevat namelijk geen vordering tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en de kantonrechter mag niet meer toewijzen dan is gevorderd.

[gedaagde] moet de proceskosten betalen

3.9

[gedaagde] vindt dat zij de proceskosten niet hoeft te betalen, omdat [eiser] dreigend heeft gehandeld richting [gedaagde] en haar medewerkers. Dit is echter niet onderbouwd en staat ook niet aan toewijzing van de proceskosten in de weg. [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

128,52

- griffierecht

€

265,00

- salaris gemachtigde

€

217,00

(1 punt × € 217,00)

- nakosten

€

108,50

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

719,02

3.10

Uit het lichaam van de dagvaarding leidt de kantonrechter af dat [eiser] vindt dat wettelijke rente moet worden toegewezen over de proceskosten. Dit wordt echter niet in het petitum gevorderd. Omdat de kantonrechter niet meer mag toewijzen dan is gevorderd, kan geen wettelijke rente over de proceskosten worden toegewezen.

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.250,00, vermeerderd met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 2.250,00 vanaf 15 februari 2024 tot de dag dat volledig is betaald,

4.2

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 719,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

4.3

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.4

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.

68791