Civiel recht overig
Leggen vloer volgens consument niet goed gegaan. Onvoldoende aangetoond dat vloer na herstel nog steeds…
Rechtbank Midden-Nederland, 7 oktober 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:6969 · Rechtbank Midden-Nederland · 7 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2026-6969
Zaakgegevens
Op 7 oktober 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 7 oktober 2026
- Datum publicatie
- 11 oktober 2026
- Zaaknummer
- 11750875 \ UC EXPL 25-5196
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:6969
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Leggen vloer volgens consument niet goed gegaan. Onvoldoende aangetoond dat vloer na herstel nog steeds gebrekkig is. (Rest)bedrag moet worden betaald.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11750875 \ UC EXPL 25-5196
Vonnis van 7 oktober 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt allereerst uit:
- de dagvaarding,
- de e-mail van [gedaagde] van 18 juni 2025, aan te merken als de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie,
- de conclusie van antwoord in reconventie.
Vervolgens is bepaald dat de zaak op een mondelinge behandeling behandeld zal worden. Daarvoor is tot drie keer toe een datum bepaald, die op verzoek van ofwel [eiseres] ofwel [gedaagde] steeds is uitgesteld. Daarop is uiteindelijk bepaald dat in de zaak verder schriftelijk moet worden doorgeprocedeerd.
Daarna vervolgt de procedure als volgt:
- de conclusie van repliek in reconventie,
- de reactie daarop van [gedaagde] in een e-mail van 4 mei 2026, aan te merken als conclusie van dupliek in conventie,
- de akte uitlating producties van [eiseres] ,
- de reactie daarop van [gedaagde] , mondeling gegeven op de rolzitting van 12 augustus 2026.
Daarna is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.
2 De kern van de zaak
[eiseres] heeft in opdracht van [gedaagde] een vloer met plinten in de woning van [gedaagde] geleverd en gelegd. [gedaagde] heeft een gedeelte van de koopsom onbetaald gelaten, namelijk € 1.369,07. [gedaagde] wil dat bedrag niet betalen, omdat volgens haar de vloer en plinten ondeugdelijk zijn gelegd. In conventie vordert [eiseres] betaling van het restbedrag van [gedaagde] , plus rente en kosten. [gedaagde] wil juist dat [eiseres] haar € 7.500,00 betaalt, zodat zij de (volgens [gedaagde] ) fouten van [eiseres] door een derde kan laten herstellen (eis in reconventie). De kantonrechter wijst de vordering in conventie toe en de eis in reconventie van [gedaagde] af.
3 De beoordeling
Ambtshalve toetsing
De kantonrechter heeft ambtshalve beoordeeld of in de algemene voorwaarden van [eiseres] oneerlijke bedingen staan, die toewijzing van de hoofdsom, rente of buitengerechtelijke kosten in de weg zouden staan. Dat blijkt niet het geval.
Gebreken aan de vloer of plinten na herstel staan niet vast
Uit de foto’s en uit wat [gedaagde] in haar reacties op de vordering schrijft, blijkt dat [gedaagde] vindt dat in de vloer en plinten kieren zitten. Maar [eiseres] stelt concreet en duidelijk dat die kieren op 18 april 2024 zijn hersteld. De kantonrechter gaat daarvan uit om de volgende redenen:
De foto’s die [gedaagde] heeft overgelegd (waarop volgens [gedaagde] de kieren te zien zijn) overtuigen de kantonrechter niet. Volgens [eiseres] dateren die foto’s van vóór het herstel en dat lijkt inderdaad zo te zijn. Op de rolzitting van 12 augustus 2026 heeft [gedaagde] namelijk zelf gezegd dat haar foto’s uit 2023 komen. Dat zal zo zijn, want op één foto uit die serie is te zien dat er nog gewerkt wordt aan het (nieuw) leggen van de vloer. [eiseres] daarentegen heeft foto’s overgelegd van (zo stelt [eiseres] ) ná de herstelwerkzaamheden in 2024. Daarop zijn volgens [eiseres] geen kieren te zien en [gedaagde] weerspreekt een en ander niet of niet voldoende concreet. [gedaagde] zegt over die foto’s alleen dat dit niet alle foto’s zouden zijn. Maar dat zegt op zichzelf niet zoveel. In ieder geval heeft [gedaagde] geen nieuwere foto’s overgelegd waaruit blijkt dat in de vloer na het herstel nog steeds kieren zouden zitten.
[eiseres] heeft bovendien een werkbon van na de herstelwerkzaamheden overgelegd waarop is geschreven “Alles naar tevredenheid van klant opgelost”. De werkbon is door [gedaagde] ondertekend en volgens [eiseres] was zij dus met het herstel akkoord. Volgens [gedaagde] heeft zij weliswaar haar handtekening gezet, maar zou het herstel niet te zien zijn geweest doordat er pakketten laminaat tegen de plinten waren geplaatst. Dat kan zijn, maar dan had [gedaagde] dat op de werkbon kunnen laten zetten, of in ieder geval de werkbon met genoemde opmerking niet zonder meer moeten ondertekenen. Uit de overgelegde e-mailcorrespondentie tussen partijen blijkt dat [gedaagde] pas na circa twee weken - en pas nádat [eiseres] haar aansprak op de resterende betaling - bezwaar maakte tegen de kwaliteit van het herstel. Dit terwijl naar eigen zeggen van [gedaagde] al na een paar dagen duidelijk zou zijn geweest dat het herstel niet naar behoren uitgevoerd zou zijn. Ook in genoemde e-mail zegt [gedaagde] trouwens niet concreet wat er volgens haar verkeerd is gegaan, maar alleen in zijn algemeenheid en zonder toelichting dat “het herstel van vloer in plinten wat nog steeds niet in orde is”.
De kantonrechter oordeelt op grond van het bovenstaande dat onvoldoende vast staat dat de vloer ná het herstel op 18 april 2024 nog gebreken vertoonde.
Gevolgen daarvan voor de uitkomst van de zaak
[gedaagde] ontkent niet dat zij in principe nog € 1.369,07 moet betalen voor de kosten van de vloer en plinten (hoofdsom). Daarbij is al rekening gehouden met een eerdere compensatie ‘uit coulance’ van € 400,00 van [eiseres] omdat zij het vervelend vond voor [gedaagde] dat er iets aan de vloer/plinten hersteld moest worden. Het bezwaar van [gedaagde] tegen de resterende betalingsplicht heeft zij alleen gebaseerd op haar stelling dat volgens haar de vloer en plinten (nog altijd) niet goed zouden zijn. Dat heeft de kantonrechter, zoals hiervoor uitgelegd, op grond van de stellingen en foto’s van partijen niet kunnen vaststellen en is dus niet vast komen te staan Dat betekent dat [gedaagde] de hoofdsom moet betalen, zoals [eiseres] vordert en ook dat er geen aanleiding is voor [eiseres] om eventuele herstelkosten door derden te betalen. De eis in reconventie van [gedaagde] wordt afgewezen.
Omdat nu vast staat dat [gedaagde] de hele factuur van [eiseres] direct had moeten betalen, moet zij over de hoofdsom ook rente betalen. [eiseres] vordert € 146,03 aan verschenen rente tot 12 mei 2025, plus de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf die datum tot de betaling. Dat wordt toegewezen.
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten (€ 205,36). De vordering is beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) en voldoet daaraan. De vordering op dit punt wordt toegewezen. In conventie is dat samen met de hoofdsom en de verschenen rente (€ 1.369,07 + € 146,03 + € 205,36 =) € 1.720,46.
[gedaagde] is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
120,78 |
|
|
- griffierecht |
€ |
385,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
542,50 |
(2,5 punten × € 217,00) |
|
- nakosten |
€ |
108,50 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
1.156,78 |
[gedaagde] is in reconventie het ongelijk gesteld en zij moet daarom ook in reconventie de proceskosten betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op € 108,50 (1 punt × factor 0,5 × € 217,00).
4 De beslissing
De kantonrechter
in conventie
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 1.720,46, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 1.369,07, met ingang van 12 mei 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.156,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 108,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.R. Creutzberg en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.
RW1368