Civiel recht overig
Executiekortgeding; Eiser is door de bodemrechter veroordeeld om zijn schutting te verplaatsen; afwijzing van…
Rechtbank Midden-Nederland, 6 oktober 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:7156 · Rechtbank Midden-Nederland · 6 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2026-7156
Zaakgegevens
Op 6 oktober 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 6 oktober 2026
- Datum publicatie
- 17 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/16/617277 / KG ZA 26-547
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. R. van Domselaar te Utrecht, mr. M. van Wezel te Utrecht
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:7156
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Executiekortgeding; Eiser is door de bodemrechter veroordeeld om zijn schutting te verplaatsen; afwijzing van gevorderde schorsing van (de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van) die veroordeling; afwijzing; geen misbruik van executiebevoegdheid; geen kennelijke misslag.
Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/617277 / KG ZA 26-547
Vonnis in kort geding van 6 oktober 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. R. van Domselaar te Utrecht,
tegen
STICHTING WOONIN,
te Utrecht,
verwerende partij,
hierna te noemen: Woonin,
advocaat: mr. M. van Wezel te Utrecht.
1 De procedure
De voorzieningenrechter beschikt over de volgende stukken:
- de dagvaarding van 14 september 2026 (niet betekend) met producties 1 tot en met 4
- de door [eiser] op 18 september 2026 ingediende producties 5 tot en met 8.
Op de mondelinge behandeling van 22 september 2026 zijn namens eiser verschenen [eiser] en mr. Van Domselaar. Namens gedaagde zijn verschenen: de heer [A] (coördinator sociaal domein bij Woonin), mevrouw [B] (vastgoedjurist bij Woonin) en mr. Van Wezel. De griffier heeft aantekeningen gemaakt en mr. Van Wezel heeft spreekaantekeningen voorgedragen. Een afschrift van die spreekaantekeningen is aan het dossier toegevoegd. Aan het einde van de zitting heeft de voorzieningenrechter meegedeeld dat op dinsdag 6 oktober 2026 vonnis wordt gewezen.
2 Waar de zaak over gaat
Het gaat om een executiegeschil als bedoeld in artikel 438 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). [eiser] is op 15 juli 2026 door de bodemrechter op straffe van een dwangsom veroordeeld om zijn schutting zo te verplaatsen dat deze niet meer op het buurpad staat. Het vonnis (hierna: het bodemvonnis) is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. In deze procedure vordert [eiser] om die uitvoerbaar bij voorraadverklaring van die veroordeling te schorsen en de verdere tenuitvoerlegging te verbieden, primair tot in hoger beroep arrest is gewezen dan wel subsidiair tot drie maanden na vonnisdatum. De voorzieningenrechter wijst die vordering af.
De verdere achtergrond van het geschil
[eiser] is eigenaar van een perceel aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] en woont in de daarop gebouwde woning. Dat perceel grenst aan de oostkant aan een perceel van woningcorporatie Woonin waarop huurwoningen staan. Langs de grens tussen deze twee percelen loopt een pad (hierna: het buurpad). Het buurpad is bij de bouw van de wijk, omstreeks 1985, aangewezen als buurweg als bedoeld in artikel 719 BW (oud). Die aanwijzing is vastgelegd in diverse notariële aktes. [eiser] en zijn buren, onder wie huurders van Woonin, gebruiken het buurpad om via hun tuin de openbare weg te bereiken. De onderstaande luchtfoto geeft een beeld van de onderlinge ligging van de percelen. Het (globale) traject van het buurpad is in het wit aangegeven.
Afbeelding verwijderd i.v.m. herleidbaarheid.
In april 2025 heeft [eiser] langs de westgrens en de zuidgrens van zijn perceel een schutting geplaatst. Woonin meent dat [eiser] het buurpad daardoor te veel heeft versmald, namelijk van 150 cm of meer naar slechts 110 cm, en dat de buren – waaronder haar huurders – het buurpad daardoor niet meer behoorlijk kunnen gebruiken op de wijze waarvoor het bestemd is. Woonin heeft daarover uiteindelijk een bodemprocedure tegen [eiser] gevoerd, waarin het bodemvonnis is gewezen. [eiser] is tegen dat vonnis in hoger beroep gegaan.
3 De beoordeling
De maatstaf bij een executiekortgeding
Uitgangspunt is dat als de rechter een veroordeling heeft uitgesproken en uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard, de executant (de partij die deze veroordeling heeft verkregen) die veroordeling ook daadwerkelijk ten uitvoer moet kunnen leggen, ook hangende een hogere beroep. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van de executant bij de uitvoerbaarheid bij voorraad van die veroordeling.
Bij de toepassing van deze maatstaf in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel blijft buiten beschouwing, met dien verstande dat de voorzieningenrechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing berust op een kennelijke feitelijke of juridische misslag.
De ten uitvoer te leggen beslissing berust niet op een kennelijke misslag
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bodemvonnis niet berust op kennelijke misslagen.
[eiser] wijst op de tekst van artikel 719 (oud):
“Voetpaden, dreven of wegen aan verscheidenen buren gemeen, en welke hun tot eenen uitweg dienen, kunnen niet dan met gemeene toestemming worden verlegd, vernietigd of tot een ander gebruik gebezigd, dan waartoe dezelve zijn bestemd geweest.”
Volgens [eiser] levert de plaatsing van de schutting weliswaar een beperkte versmalling van de buurweg op, maar nog geen ‘verleggen, vernietigen of tot een ander gebruik bezigen’. De bodemrechter heeft ze toch met elkaar gelijkgesteld en ten onrechte als uitgangspunt genomen dat ook voor die beperkte versmalling instemming van alle betrokken buren nodig was, aldus nog steeds [eiser] .
Volgens [eiser] is het ook een kennelijke misslag dat in het bodemvonnis onder 3.4 is overwogen: “Een versmalling van het buurpad zonder toestemming van de buren, hoe klein of groot dan ook, is volgens de bestemming in de leveringsakte niet toegestaan.”
In de notariële aktes zelf staat geen minimale breedte voor het buurpad, maar alleen dat het is bedoeld om:
“te voet, eventueel met een aan de hand meegevoerd klein vervoermiddel, zoals een kinderwagen, kruiwagen, rijwiel of motorrijwiel, te komen van en te gaan naar de openbare weg.”
Daarmee miskent de bodemrechter dat wanneer geen absolute breedte is vastgelegd, de breedte van het buurpad moet worden vastgesteld aan de hand van de bestemming. Als de buurweg maar breed genoeg is voor het in de akte omschreven gebruik, is eigenlijk niet meer relevant dat de ruimte tussen de schuren van Woonin en de erfafscheiding van [eiser] voorheen 150 cm of meer was en na plaatsing van de schutting slechts 110 cm, aldus nog steeds [eiser] .
Deze twee punten zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen kennelijke misslagen. Dat zijn immers klaarblijkelijke vergissingen die in hoger beroep vrijwel zeker tot een ander oordeel zullen leiden. Dit zijn veel eerder “gewone” juridische en feitelijke geschilpunten. waarover de appélrechter zal moeten beslissen. De bodemrechter heeft geoordeeld dat wat [eiser] heeft gedaan, betekent dat het buurpad deels van bestemming is gewijzigd (want deels bij de tuin van Kofeite is getrokken) en daardoor in strijd is met artikel 719 BW (oud). Onder 3.5 van het bodemvonnis is ook overwogen dat de 110 cm die overblijft onvoldoende is om de in de notariële aktes omschreven bestemming uit te oefenen. De bodemrechter hééft de breedte van het buurpad dus ook functioneel beoordeeld, aan de hand van de bestemming als omschreven in de notariële aktes.
Volgens [eiser] is het ook een kennelijke misslag dat onder 3.5 van het bodemvonnis is geoordeeld dat voor de omschreven bestemming de overgebleven 110 cm onvoldoende is. Bij de motivering van dat oordeel noemt de bodemrechter dat het door de schutting moeilijker is geworden om met de fiets de uitdraai vanuit de eigen tuin naar het buurpad te maken en met een motorfiets vanuit de eigen tuin de openbare weg te bereiken, en dat het buurpad nu zo smal is dat twee buren elkaar niet kunnen kruisen of passeren als zij allebei een fiets of een kliko bij zich hebben. Daarmee heeft de bodemrechter de bestemming te veel verruimd, en er is (lagere) rechtspraak waarin bij een vergelijkbare omschrijving van de bestemming is geoordeeld dat een breedte 100 cm en 95 cm voldoende was. aldus nog steeds [eiser] . Ook voor dit punt geldt dat weliswaar niet kan worden uitgesloten dat de bodemrechter [eiser] op dit punt in het gelijk stelt, maar dat is niet zo evident dat kan worden gesproken van een kennelijke misslag.
Er is geen sprake is van kennelijk misslagen, zodat de voorzieningenrechter zal moeten uitgaan van de vaststellingen, oordelen en beslissingen in het bodemvonnis.
De belangen van [eiser] zijn onvoldoende zwaarwegend vergeleken met die van Woonin
Onder 3.1 is al uiteengezet dat het uitgangspunt is dat een uitvoerbaar verklaarde veroordelingen ten uitvoer kan worden gelegd, ook als het hoger beroep over de zaak nog loopt. De gevorderde schorsing is alleen toewijsbaar als – gegeven dat uitgangspunt – de belangen die [eiser] heeft bij schorsing (waarmee de bestaande toestand nog enige tijd zou voortduren) zwaarder wegen dan de belangen die Woonin bij tenuitvoerlegging. Die hoge drempel is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gehaald.
[eiser] heeft in dit verband aangevoerd dat het voor hem duur en ingewikkeld is om zijn schutting van het buurpad te verwijderen, te meer omdat de kans groot is dat dit achteraf, als [eiser] in hoger beroep in het gelijk wordt gesteld, helemaal niet nodig blijkt te zijn. De verplaatsing is volgens [eiser] ook onomkeerbaar.
Op deze belangen is nogal wat af te dingen. Voor elke tenuitvoerlegging geldt dat deze onnodig is als de veroordeelde in hoger beroep toch gelijk krijgt. Dan geldt echter ook dat in beginsel sprake is van onrechtmatige tenuitvoerlegging, zodat de executant aansprakelijk is voor de schade als gevolg van die tenuitvoerlegging. De door [eiser] genoemde bedragen (zoals de € 4.138,20 voor het plaatsen van de huidige schutting) zijn op zichzelf overkomelijk, zeker in verhouding tot de kosten van de bodemprocedure, het hoger beroep en de onderhavige procedure.
Dat de schutting in praktische zin moeilijk te verplaatsen is omdat deze in beton is geplaatst, is een keuze van [eiser] zelf geweest. De voorzieningenrechter gaat niet mee in [eiser] ’s betoog dat de verplaatsing onomkeerbaar is, vanwege de planten die nu nabij de schutting staan en die volgens [eiser] een verplaatsing (en – als [eiser] in hoger beroep gelijk zou krijgen – nòg een verplaatsing) niet overleven. Als dat zo is, kunnen die planten worden vervangen. Het argument dat [eiser] nooit tijdig een aannemer zal vinden, gaat niet op omdat [eiser] daarvoor voldoende tijd is gegeven. Het bodemvonnis is al van 15 juli 2026, en [eiser] heeft dus al meer dan twee maanden de tijd gehad om een aannemer te vinden. Bovendien heeft Woonin bij de mondelinge behandeling (ter bevestiging en verduidelijking van haar eerdere toezegging) toegezegd dat zij het bodemvonnis niet vóór 31 oktober 2026 ten uitvoer zal leggen, ook als zij in deze procedure in het gelijk wordt gesteld.
De voorzieningenrechter moet deze belangen afwegen tegen de belangen bij tenuitvoerlegging van Woonin, die op dit punt onder meer heeft aangevoerd:
-
dat de zaak sterk leeft bij de huurders van Woonin en de andere gerechtigden tot het buurpad, die dagelijks worden belemmerd in hun gebruik daarvan;
-
dat het goed mogelijk is dat in het hoger beroep pas over twee jaar eindarrest wordt gewezen; en
-
dat de geloofwaardigheid van Woonin in het geding komt als de schutting al die tijd zou blijven staan, in weerwil van de veroordeling in eerste aanleg.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de belangen van [eiser] onvoldoende zwaarwegend zijn ten opzichte van die van Woonin. De vorderingen worden dan ook afgewezen.
[eiser] krijgt ongelijk en moet een proceskostenvergoeding aan Woonin betalen
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Woonin worden begroot op:
|
- griffierecht |
€ |
735,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
1.177,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
2.101,00 |
4 De beslissing
De voorzieningenrechter
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S.T. Belt en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026. |
||
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! |
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! |
|
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! |
JO/4972