Civiel recht overig
Advocatendeclaratie, verstek, eindvonnis na akte, gevraagde informatie over naleving informatieplichten is…
Rechtbank Midden-Nederland, 7 oktober 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:7176 · Rechtbank Midden-Nederland · 7 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2026-7176
Zaakgegevens
Op 7 oktober 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Almere
- Datum uitspraak
- 7 oktober 2026
- Datum publicatie
- 18 oktober 2026
- Zaaknummer
- 12284066 \ MC EXPL 26-3398 JC/13702
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:7176
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Advocatendeclaratie, verstek, eindvonnis na akte, gevraagde informatie over naleving informatieplichten is niet gegeven
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12284066 \ MC EXPL 26-3398 JC/13702
Vonnis van 7 oktober 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.
1 De procedure
Op 8 juli 2026 heeft de kantonrechter een tussenvonnis gewezen en de zaak naar de rol verwezen voor een akte aan de zijde van [eiser] .
[eiser] heeft vervolgens een akte genomen.
Tot slot is vonnis bepaald.
2 De verdere beoordeling
De kantonrechter neemt over en verwijst naar hetgeen is overwogen in het tussenvonnis van 8 juli 2026 (hierna: het tussenvonnis).
[eiser] heeft in zijn akte uiteengezet dat hij [gedaagde] als privépersoon heeft bijgestaan. Het geschil waarin hij [gedaagde] bijstond had betrekking op een persoonlijke lening die [gedaagde] had afgesloten om schulden van zijn bedrijf te kunnen voldoen. Gelet op deze toelichting gaat de kantonrechter ervan uit dat [gedaagde] als consument heeft gehandeld.
[eiser] heeft er op gewezen dat [gedaagde] steeds betalingstoezeggingen heeft gedaan. De kantonrechter overweegt dat ook als een consument de vordering heeft erkend, hij ambtshalve moet beoordelen of de in het tussenvonnis aangehaalde consumentenbeschermende bepalingen zijn nageleefd.
[eiser] heeft verklaard dat er geen algemene voorwaarden op de overeenkomst van toepassing zijn. In de opdrachtbevestiging van 3 oktober 2023 is opgenomen dat [eiser] een honorarium van € 250,-- exclusief btw per uur zal hanteren. De kantonrechter merkt deze passage uit de opdrachtenbevestiging aan als een kostenbeding. Uit de opdrachtbevestiging blijkt dat partijen gesproken hebben over het uurtarief, maar niet dat zij daarover onderhandeld hebben.
Zoals in het tussenvonnis is overwogen is de vraag die in dit kader vervolgens voorligt is of het kostenbeding duidelijk en begrijpelijk (transparant) genoeg geformuleerd is. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) heeft geoordeeld dat enkel het noemen van het uurtarief door de advocaat de gemiddelde, normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument niet in staat stelt om alle financiële consequenties in te schatten die voor hem uit het beding voortvloeien (HvJ EU 12 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:14). [eiser] schatte in dat [gedaagde] rekening moest houden met een totaal honorarium van tussen de € 5.000,00 en € 10.000,00. Ook is er met een voorschotnota gewerkt. Verder heeft [eiser] [gedaagde] gewezen op bepaalde omstandigheden die maken dat er meerkosten gemaakt zouden kunnen worden. Al deze omstandigheden maken dat de kantonrechter van oordeel is dat het kostenbeding afdoende transparant is. [gedaagde] kon immers op basis van het kostenbeding inschatten voor welke kosten hij zou komen te staan. Dat betekent dat het beding niet meer op oneerlijkheid getoetst hoeft te worden.
Ondanks het uitdrukkelijke verzoek van de kantonrechter in het tussenvonnis heeft [eiser] geheel nagelaten de kantonrechter van de nodige gegevens te voorzien om te kunnen beoordelen welke informatieplichten op de overeenkomst van toepassing zijn en of [eiser] aan zijn verplichtingen op dit punt heeft voldaan. Hiervoor zal een sanctie worden opgelegd, waarbij uitgegaan wordt van een schending van vier of meer essentiële informatieplichten. Onder verwijzing naar de Richtlijn Sanctiemodel informatieplichten, te raadplegen op www.rechtspraak.nl, vermindert de kantonrechter de betalingsverplichting van [gedaagde] met 40%. Daardoor is de hoofdsom toewijsbaar tot een bedrag van € 1.923,90.
De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 9 december 2025. Op grond van wat [eiser] naar voren heeft gebracht wordt aangenomen dat [gedaagde] vanaf die datum in verzuim is geraakt.
Hoewel een deel van de vordering wordt afgewezen is [eiser] wel terecht tot dagvaarding overgegaan. Gebleken is immers dat hij een (zij het kleinere dan gesteld) vordering op [gedaagde] heeft, die zonder gerechtelijke procedure niet werd betaald. Om die reden zal [gedaagde] in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten van [eiser] worden, op basis van het toegewezen bedrag, begroot op:
- dagvaarding € 153,45
- griffierecht € 265,00
- salaris gemachtigde € 217,00 (1 punt x tarief € 217,00)
- nakosten € 108,50 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 743,95
3 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen €1.923,90 met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 9 december 2025 tot de voldoening;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 743,95, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Baken, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.