Civiel recht overig

Overeenkomst van opdracht tot het verrichten van incassowerkzaamheden. Inspanningsverplichting. Vordering tot…

Rechtbank Midden-Nederland, 7 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 7 oktober 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Almere
Datum uitspraak
7 oktober 2026
Datum publicatie
18 oktober 2026
Zaaknummer
12230159 \ MC EXPL 26-2564
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:7187
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Overeenkomst van opdracht tot het verrichten van incassowerkzaamheden. Inspanningsverplichting. Vordering tot ebtaling factuur toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Almere

Zaaknummer: 12230159 \ MC EXPL 26-2564

Vonnis van 7 oktober 2026

in de zaak van

DEBTT B.V.,

te Dronten,

eisende partij,

hierna te noemen: Debtt,

gemachtigde: Wiggers van Meggelen,

tegen

[gedaagde] ,

handelend onder de naam [handelsnaam 1] ,

voorheen handelend onder de naam [handelsnaam 2] ,

te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek.

1.2

[gedaagde] heeft, hoewel daartoe behoorlijk in de gelegenheid gesteld, daarna niet meer gereageerd.

1.3

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De kern van de zaak

2.1

Debtt drijft een incassobureau. [gedaagde] heeft een eenmanszaak. Partijen hebben op 17 september 2024 een overeenkomst gesloten. Volgens Debtt zou zij verscheidene vorderingen van [gedaagde] incasseren. Debtt heeft voor deze incassowerkzaamheden abonnementskosten bij [gedaagde] in rekening gebracht. Debtt heeft hiervoor op 20 september 2025 een factuur aan [gedaagde] gestuurd voor € 1.190,30. [gedaagde] heeft deze factuur ondanks aanmaningen niet betaald. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij Debtt heeft ingeschakeld voor het innen van één factuur. Volgens [gedaagde] heeft Debtt nauwelijks concrete werkzaamheden verricht en zijn er geen aantoonbare resultaten. [gedaagde] heeft aan Debtt kenbaar gemaakt dat hij de overeenkomst wenste te beëindigen, [gedaagde] wil de abonnementskosten daarom niet betalen.

3 De beoordeling

[gedaagde] moet de hoofdsom betalen

3.1

Debtt heeft naar aanleiding van het verweer van [gedaagde] het volgende gesteld. Debtt heeft wel degelijk incassowerkzaamheden verricht. Debtt heeft hiervan een voortgangsrapport bij de conclusie van repliek gevoegd. Debtt heeft een inspanningsverplichting en geen resultaatsverplichting. Debtt heeft [gedaagde] erop gewezen dat hij de overeenkomst per e-mail moet opzeggen, zoals is bepaald in artikel 6.4 van de toepasselijke algemene voorwaarden. [gedaagde] heeft toegezegd om bewijsmiddelen aan Debtt te sturen waaruit een tijdige opzegging per e-mail blijkt. Debtt heeft [gedaagde] meerdere keren in de gelegenheid gesteld om de opzegging aan te tonen. [gedaagde] heeft hier niet aan voldaan.

[gedaagde] heeft niet meer op deze stellingen van Debtt gereageerd. De conclusie moet dan ook zijn dat [gedaagde] niet heeft aangetoond dat hij de overeenkomst tijdig en op de juiste wijze heeft opgezegd. [gedaagde] is daarom de abonnementskosten verschuldigd en moet de hoofdsom van € 1.190,30 aan Debtt betalen.

[gedaagde] moet de wettelijke handelsrente betalen

3.2

De wettelijke handelsrente van € 70,54 en de verdere rente vanaf 16 april 2026 tot de voldoening komt bij gebreke van afzonderlijke betwisting en als op de wet gegrond eveneens voor toewijzing in aanmerking.

[gedaagde] moet de incassokosten betalen

3.3

Debtt maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 178,55. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is en dat Debtt voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht.

Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen. De wettelijke rente over de incassokosten wordt toegewezen zoals in de beslissing is vermeld.

[gedaagde] moet de proceskosten betalen

3.4

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Debtt worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

130,16

- griffierecht

€

350,00

- salaris gemachtigde

€

434,00

(2 punten × € 217,00)

- nakosten

€

108,50

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

1.022,66

3.5

Debtt vordert de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de proceskosten. Omdat artikel 6:119a BW alleen ziet op de primaire betalingsverplichting uit de handelsovereenkomst, zijn deze bepalingen niet van toepassing op vorderingen tot betaling van proceskosten (HR 8 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3106 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2017:3106)).

De kantonrechter zal daarom de wettelijke rente toewijzen, zoals vermeld in de beslissing.

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1

veroordeelt [gedaagde] om aan Debtt tegen bewijs van kwijting te betalen € 1.439,39, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 1.190,30 vanaf 16 april 2026 tot de voldoening en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 178,55 vanaf 24 april 2026 tot de voldoening;

4.2

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.022,66, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

4.3

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;

4.4

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.5

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.