Civiel recht overig
Primair dwaling (art. 6:226 BW). Subsidiair ontbinding (art. 6:265 BW). Vorderingen afgewezen.
Rechtbank Midden-Nederland, 7 oktober 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:7196 · Rechtbank Midden-Nederland · 7 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2026-7196
Zaakgegevens
Op 7 oktober 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 7 oktober 2026
- Datum publicatie
- 18 oktober 2026
- Zaaknummer
- 12153534 \ UC EXPL 26-2535
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:7196
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Primair dwaling (art. 6:226 BW). Subsidiair ontbinding (art. 6:265 BW). Vorderingen afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12153534 \ UC EXPL 26-2535
Vonnis van 7 oktober 2026
in de zaak van
[eiser] , handelend onder de naam [handelsnaam],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [handelsnaam] ,
gemachtigde: mr. T. Yazar,
tegen
[gedaagde] .,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. G.J. Stokreef.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 maart 2026, met 18 producties,
- de conclusie van antwoord, zonder producties,
- de mondelinge behandeling van 6 augustus 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
Ten slotte is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.
2 De kern van de zaak
[handelsnaam] heeft [gedaagde] ingeschakeld om een logo voor haar te ontwerpen. Dat logo zou
(1) vrij zijn van (intellectuele eigendoms)rechten van derden en
(2) exclusief voor haar zijn ontworpen.
De hoofdvraag is of het toegestaan is om zogenaamd stockmateriaal te gebruiken bij de uitvoering van de overeenkomst. [handelsnaam] meent van niet. Zij meent dat [gedaagde] haar verplichtingen niet is nagekomen en vordert terugbetaling van de overeengekomen prijs (€ 7.260,00), vermeerderd met rente en kosten. De rechter zal deze vordering afwijzen.
3 De beoordeling
[handelsnaam] heeft niet gedwaald bij het sluiten van de overeenkomst
Primair stelt [handelsnaam] dat de overeenkomst vernietigd moet worden, omdat zij gedwaald zou hebben bij het aangaan ervan. De kantonrechter zal de vordering op deze grond afwijzen.
[handelsnaam] stelt over twee punten gedwaald te hebben gehad. Ten eerste stelt [handelsnaam] dat zij dacht dat [gedaagde] een logo zou ontwerpen waarop geen rechten van derden zouden rusten. Dit is echter geen onjuiste voorstelling van zaken, want [gedaagde] erkent dat partijen die afspraak hebben gemaakt. Het hebben van een onjuiste voorstelling van zaken is een voorwaarde voor dwaling. Daarom is dit geen reden voor vernietiging van de overeenkomst op grond van dwaling.
Ten tweede stelt [handelsnaam] dat zij in de veronderstelling was dat [gedaagde] in het ontwerpproces alleen volledig origineel en exclusief voor [handelsnaam] ontworpen logo’s zou aanleveren, waarbij geen gebruik gemaakt mocht worden van stockmateriaal. De kantonrechter gaat hier niet in mee. [handelsnaam] heeft tijdens de mondelinge behandeling namelijk toegelicht dat zij niet elk gebruik van stockmateriaal door [gedaagde] bij de uitvoering van de opdracht afkeurt. Partijen zijn het er dus over eens dat stockmateriaal in delen van het ontwerpproces gebruikt mocht worden. Daaruit volgt dat [handelsnaam] de overeenkomst ook zou hebben gesloten als zij zich vanaf het begin gerealiseerd zou hebben dat [gedaagde] stockmateriaal zou gebruiken in het ontwerpproces. De overeenkomst kan dus niet om deze reden vernietigd worden op grond van dwaling.
Omdat in beide gevallen niet aan de vereisten voor dwaling is voldaan, zal de kantonrechter de daarop gebaseerde vordering tot vernietiging van de overeenkomst afwijzen.
De overeenkomst is niet rechtsgeldig is ontbonden
Subsidiair vordert [handelsnaam] een verklaring voor recht dat zij de overeenkomst op 3 december 2025 rechtsgeldig heeft ontbonden. Volgens [handelsnaam] mocht zij de overeenkomst ontbinden omdat [gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van haar contractuele verplichtingen. [gedaagde] zou namelijk een logo ontwerpen dat zonder rechten van derden aan [handelsnaam] overdraagbaar is, en dat exclusief voor [handelsnaam] ontworpen zou zijn. Op 5 november 2025 stuurde [gedaagde] echter een aantal potentiële logo’s naar [handelsnaam] waarop rechten van derden rustten. In die logo’s is namelijk gebruik gemaakt van stockmateriaal. Dit wordt ook door [gedaagde] erkend. De tekortkoming is volgens [handelsnaam] dat zij deze logo’s mocht beschouwen als eindproduct waarop volgens de afspraak geen rechten van anderen meer mochten rusten.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] niet tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichting om een logo vrij van rechten van derden op te leveren. Het komt namelijk niet vast te staan dat op 5 november 2025 al (nagenoeg) sprake was van een eindproduct. [handelsnaam] stelt weliswaar dat zij deze logo’s als eindproduct mocht beschouwen of een logo waaraan nog slechts kleine ondergeschikte wijzigingen uitgevoerd zouden worden, maar zij heeft dat niet onderbouwd. Integendeel, op 13 november 2025 stuurde [handelsnaam] het volgende in een whatsappbericht:
“zullen we een afspraak inplannen om langs te gaan wat we misschien kunnen aanleveren om jullie meer een richting te geven van wat wij willen hebben het gevoel dat we de goeie kant op zijn gegaan maar er missen nog wat elementen in het resultaat voor ons.”
Ook [handelsnaam] zag deze logo’s dus niet als eindproduct. Daaruit blijkt dat partijen nog in de ontwerpfase zaten. [handelsnaam] voert nog aan dat bij de betreffende logo’s niet duidelijk door [gedaagde] vermeld is dat sprake zou zijn van een concept, maar dat doet niet af aan het oordeel dat partijen de logo’s destijds als concept zagen. Omdat de op 5 december 2025 aangeleverde logo’s nog niet de uiteindelijke logo’s waren (maar concepten waar nog aan gesleuteld zou worden), hoefden die logo’s nog niet vrij te zijn van rechten. Van een tekortkoming in de nakoming is daarom geen sprake.
[handelsnaam] stelt daarnaast dat de tekortkoming zit in het schenden van de afspraak dat [gedaagde] het logo exclusief voor haar zou ontwerpen. In 3.3 is echter al overwogen dat partijen het erover eens zijn dat stockmateriaal in de conceptfase van het ontwerpproces gebruikt mocht worden. Ook daarom oordeelt de kantonrechter dat [gedaagde] niet tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst.
Omdat er geen sprake is van een tekortkoming had [handelsnaam] niet de bevoegdheid de overeenkomst buitengerechtelijk te ontbinden. De gevorderde verklaring voor recht dat de buitengerechtelijke ontbinding rechtsgeldig was, zal de kantonrechter daarom afwijzen. Om dezelfde reden zal de vordering om de overeenkomst te ontbinden worden afgewezen.
Conclusie: de vorderingen worden afgewezen
Alle vorderingen die zien op de (terug)betaling van het betaalde factuurbedrag van € 7.260,00 zullen dus worden afgewezen, waardoor ook de gevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten zullen worden afgewezen.
De vordering tot al hetgeen [handelsnaam] redelijkerwijs mocht verzoeken zal worden afgewezen
Meer subsidiair vordert [handelsnaam] “al hetgeen meer of anders [handelsnaam] redelijkerwijs mocht verzoeken ter verkrijging van een rechtvaardig oordeel in deze zaak.” Nog afgezien van het feit dat in een dagvaardingsprocedure niet verzocht maar gevorderd wordt, is het niet aan de kantonrechter om te bepalen welke rechtsgevolgen een partij inroept. Daarbij moet die vordering bovendien voldoende duidelijk zijn voor [gedaagde] om daartegen verweer te voeren. Dat is hier niet het geval. Deze ‘veegvordering’ van [handelsnaam] zal dus worden afgewezen.
[handelsnaam] moet de proceskosten van [gedaagde] betalen
[handelsnaam] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
|
- salaris gemachtigde |
€ |
720,00 |
(2 punten × € 360,00) |
|
- nakosten |
€ |
144,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
864,00 |
4 De beslissing
De kantonrechter:
wijst de vorderingen van [handelsnaam] af,
veroordeelt [handelsnaam] in de proceskosten van € 864,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [handelsnaam] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. Werner en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.
AV(68729)