Civiel recht overig
Kort geding: geen spoedeisend belang, niet geschikt voor behandeling in kort geding en onvoldoende…
Rechtbank Midden-Nederland, 23 maart 2022
ECLI:NL:RBMNE:2022:1295 · Rechtbank Midden-Nederland · 23 maart 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/civiel-recht/civiel-recht-overig/kort-geding/ecli-nl-rbmne-2022-1295
Zaakgegevens
Op 23 maart 2022 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 23 maart 2022
- Datum publicatie
- 6 april 2022
- Zaaknummer
- C/16/534273 / KG ZA 22-43
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2022:1295
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Kort geding: geen spoedeisend belang, niet geschikt voor behandeling in kort geding en onvoldoende aannemelijk dat de bodemrechter een vordering als deze zal toewijzen.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
handelskamer
locatie Utrecht
zaaknummer / rolnummer: C/16/534273 / KG ZA 22-43
Vonnis in kort geding van 23 maart 2022
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiser in conventie,
verweerder in voorwaardelijke reconventie
advocaat mr. P.C.W. Viëtor te Utrecht,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiser in voorwaardelijke reconventie,
advocaat mr. T.A.A. Meerding te Utrecht.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.
1 De procedure
[eiser] heeft een dagvaarding aan [gedaagde] verzonden, waarna [gedaagde] heeft bevestigd vrijwillig te zullen verschijnen bij de mondelinge behandeling.
[gedaagde] heeft voor de mondelinge behandeling nog drie producties overlegd en een voorwaardelijke eis in reconventie ingediend.
Bij de mondelinge behandeling van 9 maart 20222, waren dhr. [A] en mr. Viëtor namens [eiser] aanwezig. [gedaagde] was ook aanwezig met mr. Meerding. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, mede aan de hand van de overgelegde pleitnota van [gedaagde] .
De rechter heeft de voorwaardelijke eis in reconventie, na bezwaar van [eiser] , buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde, omdat de gronden van de eis niet vooraf kenbaar zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 Waar gaat dit kort geding over?
[eiser] en [gedaagde] zijn eigenaar van aangrenzende percelen in [dorp] . Rond 2000 hebben partijen afspraken gemaakt over het verleggen van een bestaand overpad naar de rand van het perceel van [eiser] naast het perceel van [gedaagde] . Daarbij hebben partijen afgesproken dat een stuk grond van [eiser] (de groenstrook genaamd) tussen het overpad en het perceel van [gedaagde] zou blijven liggen. In 2002 hebben partijen telefonisch afspraken gemaakt over het onderhoud van de groenstrook door [gedaagde] .
In 2021 hebben partijen gesproken over een bruikleenovereenkomst voor de groenstrook. Toen er geen overeenstemming werd bereikt, heeft [eiser] aan [gedaagde] laten weten de bestaande afspraken op te zeggen met een opzeggingstermijn van zes maanden. Ook is [gedaagde] door [eiser] gesommeerd de groenstrook te ontruimen.
In deze procedure vordert [eiser] dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de groenstrook te ontruimen. Ook vordert [eiser] veroordeling [gedaagde] om buitengerechtelijke kosten en proceskosten te betalen.
3 De beoordeling
De rechter komt tot de conclusie de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen.
[eiser] stelt dat hij spoedeisend belang heeft, omdat [gedaagde] een inbreuk maakt op zijn eigendom, door gebruik te maken van de groenstrook. [eiser] heeft ook gesteld dat hij niks met de groenstrook wil gaan doen als deze ontruimt is door [gedaagde] en geen sprake is van verjaring. Daarnaast is volgens [gedaagde] in de afgelopen jaren niks veranderd van hoe hij omgaat met de groenstrook. Tijdens de mondelinge behandeling kon daar namens [eiser] niks over gezegd worden.
[eiser] heeft daarom onvoldoende gemotiveerd dat hij niet kan wachten totdat in een bodemprocedure over deze vordering is geoordeeld.
Daarnaast zijn partijen het over bijna niets eens in deze zaak en is het de rechter onvoldoende duidelijk geworden hoe de feitelijke situatie is en hoe deze afwijkt van de situatie net na het omleggen van het overpad. Voordat een eindoordeel kan worden gegeven, is nader onderzoek nodig door bijvoorbeeld het horen van getuigen en/of het bepalen van een decente om te bekijken hoe de feitelijke situatie is. Dat leidt ertoe dat deze zaak niet geschikt is om in een kort geding te behandelen en op dit moment niet kan worden gezegd dat het voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter een vordering als deze zal toewijzen.
[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht € 314,00
- overige kosten 0,00
- salaris advocaat 1.016,00
Totaal € 1.330,00
De gevorderde nakosten en wettelijke rente over de proceskosten en nakosten worden toegewezen op de gebruikelijke wijze.
4 De beslissing
De voorzieningenrechter
wijst de vorderingen af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.330,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2022.