Civiel recht overig

Kort geding. Artikel 6:258 BW. In dit geval sprake van onvoorziene omstandigheden in verband met exorbitant…

Rechtbank Midden-Nederland, 14 maart 2023

Zaakgegevens

Op 14 maart 2023 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
14 maart 2023
Datum publicatie
14 maart 2023
Zaaknummer
552020
Procedure
Kort geding
Advocaat
mr. K.A.M.J Horsch in Roermond, mr. M.R. Ruygvoorn in Utrecht
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2023:1105
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Kort geding. Artikel 6:258 BW. In dit geval sprake van onvoorziene omstandigheden in verband met exorbitant gestegen energieprijzen. Vordering tot heronderhandelingsplicht toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht

Zaaknummer: C/16/552020 / KG ZA 23-47

Vonnis in kort geding van 14 maart 2023

in de zaak van

[eiseres] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [eiseres] ,

advocaat: mr. K.A.M.J. Horsch in Roermond,

tegen

[gedaagde] B.V.,

tevens handelend onder de naam [handelsnaam] .

gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: [handelsnaam] ,

advocaat: mr. M.R. Ruygvoorn in Utrecht.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met als bijlagen producties 1 tot en met 14;
- de conclusie van eis in reconventie;

- de akte in het geding brengen producties met als bijlagen producties 1 tot en met 6;
- de namens [eiseres] ingebrachte productie 15;
- de mondelinge behandeling op 22 februari 2023;
- de pleitnota van [eiseres] ;
- de pleitnota van [handelsnaam] .

1.2.

De zaak is na de mondelinge behandeling aangehouden zodat partijen alsnog tot overeenstemming konden komen. Bij e-mail van 28 februari 2023 heeft de advocaat van [handelsnaam] laten weten dat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen en gevraagd om alsnog vonnis te wijzen.

1.3.

Daarna volgt dit vonnis.

2 Waar gaat deze zaak over?

2.1.

[eiseres] is een bedrijf dat internetdiensten levert. Om dat te kunnen doen heeft zij servers nodig. [handelsnaam] is een bedrijf dat een datacenter beheert en serverruimtes verhuurt.

2.2.

Medio juni 2021 hebben partijen een overeenkomst (hierna: de overeenkomst) gesloten waarbij [eiseres] met ingang van 1 juli 2021 voor de duur van vijf jaar serverruimte van [handelsnaam] mag gebruiken. Het gebruik van servers kost veel elektriciteit. In de overeenkomst staan daarover, voor zover van belang, de volgende afspraken opgenomen:

“Power consumption (expressed in kWh) is invoiced afterwards at a rate of € 0,139 per kWh.

(…)
Power tariff remains the same during the contract period, however [handelsnaam] will have the option to implement price increase imposed by the government (such as energy taxes and ODE).”

2.3.

Op 14 januari 2022 heeft [handelsnaam] aan [eiseres] een brief gestuurd met daarin de mededeling dat in verband met de stijgende energieprijzen zij zich genoodzaakt voelt om vanaf januari 2022 de stroomprijzen te verhogen naar € 0,22 per kilowattuur (hierna: kWh). [handelsnaam] heeft sindsdien aan [eiseres] facturen gestuurd waarin het nieuwe tarief werd gerekend. [eiseres] is het oude tarief blijven betalen.

2.4.

[handelsnaam] heeft bij brief van 10 november 2022 aan [eiseres] laten weten dat er volgens haar sprake is van onvoorziene omstandigheden zoals bedoeld in artikel 6:258 BW. Op grond daarvan heeft [eiseres] een heronderhandelingsplicht ten aanzien van stroomprijzen. [eiseres] heeft laten weten dat zij niet wil heronderhandelen. [handelsnaam] heeft aan [eiseres] bericht dat zij voornemens is om haar verplichtingen uit de overeenkomst per 1 maart 2023 op te schorten totdat [eiseres] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid invulling geeft aan haar heronderhandelingsplicht.

2.5.

[eiseres] wil voorkomen dat [handelsnaam] haar verplichtingen opschort en vordert daarom in dit kort geding, samengevat, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. [handelsnaam] te gebieden de overeenkomst gedurende de looptijd van de overeenkomst na te komen, en [handelsnaam] te gebieden om gedurende de looptijd van de overeenkomst de vaste energieprijs van € 0,139 per KWh te hanteren onder de condities zoals genoemd in de overeenkomst;

  2. [handelsnaam] te verbieden over te gaan tot opschorting van haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst voor zover de opschorting gerelateerd is aan prijsstijgingen, dan wel aan andere bedragen dan in de overeenkomst overeengekomen prijzen;

  3. [handelsnaam] te veroordelen om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 250.000,- voor iedere dag of dagdeel dat [handelsnaam] voormeld gebod en/of verbod schendt, tot een maximum van € 5.000.000,- is bereikt;

  4. [handelsnaam] te veroordelen in de proces- en nakosten.

2.6.

[handelsnaam] heeft een tegenvordering ingediend en vordert, samengevat, uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

[eiseres] te veroordelen om, met ingang van 1 januari 2022, de facturen van [handelsnaam] te betalen voor zoveel daarin aan [eiseres] wordt gefactureerd een bedrag ter grootte van € 0,22 per door [eiseres] verbruikt kilowattuur, voor de duur van de tussen partijen gesloten overeenkomst;

subsidiair:

[eiseres] te veroordelen om, met ingang van 1 januari 2022, de facturen van [handelsnaam] te betalen voor zoveel daarin aan [eiseres] wordt gefactureerd een bedrag ter grootte van € 0,22 per door [eiseres] verbruikt kilowattuur, onder de voorwaarde dat [handelsnaam] binnen 60 kalenderdagen na dit vonnis een bodemprocedure aanhangig maakt en totdat daarin, bij in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak, de verschuldigdheid van het door [eiseres] additioneel betaalde is komen vast te staan;

meer subsidiair:

[eiseres] te gebieden om, binnen 48 uur na betekening van dit vonnis naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid met [handelsnaam] te onderhandelen over een door [eiseres] aan [handelsnaam] te betalen additionele vergoeding voor de door [eiseres] onder de tussen partijen gesloten overeenkomst gebruikte kilowatts per uur, althans over de financiële consequenties voor [handelsnaam] als gevolg van de gestegen energieprijzen, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag of gedeelte daarvan gedurende welke [eiseres] nalatig blijft aan het in deze te wijzen vonnis na betekening daarvan te voldoen;

in alle gevallen:

[eiseres] te veroordelen tot betaling van de proces- en nakosten.

3 Wat oordeelt de voorzieningenrechter?

spoedeisend belang

3.1.

Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vorderingen en partijen hebben dit over en weer ook niet weersproken.

inhoudelijke beoordeling

3.2.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het in een kort geding gaat om de vraag of – vooruitlopend op de uitkomst van een bodemprocedure – een voorlopige voorziening moet worden gegeven. Dat betekent kort gezegd dat, zonder verder onderzoek, al voldoende duidelijk moet zijn dat een bodemrechter de vorderingen zal toewijzen. In deze zaak is dat voor de meeste vorderingen onvoldoende duidelijk geworden, zodat een groot deel van de vorderingen zal worden afgewezen. De meer subsidiaire vordering in reconventie wordt wel toegewezen. [eiseres] zal worden verplicht om met [handelsnaam] te heronderhandelen over een door [eiseres] aan [handelsnaam] te betalen additionele vergoeding. Hieronder wordt uitgelegd waarom. De voorzieningenrechter gaat hierbij eerst in op de vorderingen in reconventie en daarna op de vorderingen in conventie.

in reconventie

onvoorziene omstandigheden

3.3.

[handelsnaam] baseert haar vorderingen in reconventie op artikel 6:258 BW. In dit artikel staat kort gezegd dat de rechter de gevolgen van een overeenkomst kan wijzigen of de overeenkomst geheel of gedeeltelijk kan ontbinden op grond van onvoorziene omstandigheden. [handelsnaam] is van mening dat sprake is van onvoorziene omstandigheden. Ten tijde van het sluiten van de overeenkomst had zij geen reden om aan te nemen dat de energieprijzen zo exorbitant zouden stijgen zoals zij gedaan hebben. De prijsverhoging die [handelsnaam] wil toepassen (van € 0,139 naar € 0,22 per kWh) is volgens [handelsnaam] eigenlijk al laag aangezien de prijs in 2022 al was opgelopen naar € 0,384. [handelsnaam] lijdt daarom forse verliezen bij volledige instandhouding van de overeenkomst. [eiseres] heeft niet betwist dat de energieprijzen fors zijn gestegen. Wel betwist zij dat de prijsstijging een onvoorziene omstandigheid is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat een bodemrechter zal oordelen dat sprake is van onvoorziene omstandigheden in de zin van artikel 6:258 BW. De explosieve stijging, ook al in de tweede helft van het jaar 2021 door de oplopende spanningen rond Oekraïne, maar vooral ook na het uitbreken van de oorlog in Oekraïne, heeft [handelsnaam] niet kunnen voorzien. Hoewel trouw aan het gegeven woord (onverkort naleven van de overeenkomst) uitgangspunt is, acht de voorzieningenrechter het niet redelijk dat in dit geval alleen [handelsnaam] de forse negatieve gevolgen hiervan moet dragen. Hieronder zal worden uitgelegd wat dit voor de vorderingen van [handelsnaam] betekent.

primair en subsidiair: (tijdelijke) verhoging tarieven

3.3.1.

[handelsnaam] vordert in feite een wijziging van de gevolgen van de overeenkomst. Primair vraagt zij namelijk dat de prijs per kWh wordt aangepast naar € 0,22 en subsidiair dat zij die verhoogde prijs mag handhaven totdat in een bodemprocedure is beslist. Uit vaste rechtspraak volgt dat voor een wijziging van een overeenkomst een constitutief vonnis is vereist en dat is in een kort geding procedure als deze niet mogelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter de primaire en subsidiaire vordering in reconventie niet kan toewijzen.

meer subsidiair: heronderhandelingsplicht

3.3.2.

Wel ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de meer subsidiaire vordering toe te wijzen. Zoals geoordeeld is voldoende aannemelijk dat sprake is van onvoorziene omstandigheden in de zin van artikel 6:258 BW. Zelfs met de prijs van € 0,22 per kWh komt [handelsnaam] nu financieel niet uit en is het aannemelijk dat zij grote verliezen lijdt gedurende de overeenkomst tussen partijen. Bovendien blijkt uit de voorwaarden van [eiseres] dat zij wel (in enige mate) de mogelijkheid heeft om prijsstijgingen door te berekenen aan haar klanten. Dit gegeven, tegen de achtergrond van de explosief gestegen energieprijzen, leidt ertoe dat de partijen gelet op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 BW) het in de overeenkomst opgenomen elektriciteitstarief dienen te heronderhandelen. De voorzieningenrechter zal [eiseres] daarom gebieden om naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid met [handelsnaam] te onderhandelen over een vergoeding voor fors gestegen energiekosten.

dwangsom

3.3.3.

[eiseres] heeft geen verweer gevoerd met betrekking tot de gevorderde dwangsom. De voorzieningenrechter ziet aanleiding deze te matigen en bepaalt de dwangsom op € 2.000,- per dag met een maximum van € 220.000,-.

in conventie

vordering 1: handhaven overeenkomst

3.4.

Uit het voorgaande volgt dat de overeenkomst tussen partijen in dit kort geding niet zal worden gewijzigd. Het tarief van € 0,139 geldt daarom nog steeds. Toch zal deze vordering worden afgewezen. [eiseres] vraagt namelijk dat het energietarief voor de duur van de overeenkomst vast blijft staan. Maar zoals in reconventie is overwogen is voldoende aannemelijk dat sprake is van onvoorziene omstandigheden op grond waarvan partijen zullen moeten heronderhandelen over de energietarieven. Dat betekent dat de voorzieningenrechter deze vordering niet kan toewijzen.

vordering 2: verbod opschorting overeenkomst

3.5.

[eiseres] vraagt een verbod tot opschorting van de overeenkomst. [handelsnaam] heeft voor het kort geding aangekondigd per 1 maart 2023 haar verplichtingen uit de overeenkomst op te schorten. Op de zitting heeft [handelsnaam] toegezegd niet vanaf 1 maart 2023 op te schorten, maar vanaf 1 april 2023 als [eiseres] niet opnieuw wil onderhandelen. Maar ook voor deze vordering geldt dat in reconventie is beslist dat partijen opnieuw zullen moeten onderhandelen. Daarom is er geen reden voor toewijzing van deze vordering.

proceskosten in conventie en reconventie

3.6.

De proceskosten zullen worden gecompenseerd. De uitkomst van deze procedure is dat er iets moet gebeuren met de overeenkomst, maar hoe dat vorm moet krijgen is aan partijen in de heronderhandeling. Beide partijen krijgen dus deels ongelijk. Gelet op deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter aanleiding om zowel in conventie als in reconventie de proceskosten te compenseren.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

4.1.

wijst de vorderingen van [eiseres] af;

in reconventie

4.2.

gebiedt om, binnen 48 uur na betekening van dit vonnis, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid met [handelsnaam] te onderhandelen over een door [eiseres] aan [handelsnaam] te betalen additionele vergoeding voor de door [eiseres] onder de tussen partijen gesloten overeenkomst gebruikte kilowatts per uur, in ieder geval over de financiële consequenties voor [handelsnaam] als gevolg van de gestegen energieprijzen;

4.3.

veroordeelt [eiseres] om aan [handelsnaam] een dwangsom te betalen van € 2.000,- per dag of gedeelte daarvan dat [eiseres] niet aan de in 4.2 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 220.000,- is bereikt;

4.4.

verklaart dit vonnis in reconventie uitvoerbaar bij voorraad;

4.5.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in conventie en in reconventie

4.6.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. van Ommeren, in tegenwoordigheid van mr. F.G.T. Russcher-Jansen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2023.

5148