Civiel recht overig
Verstekvonnis. Eiseres vraagt ontbinding van het huurcontract. Eiseres verhuurt een bedrijfsruimte aan…
Rechtbank Midden-Nederland, 28 februari 2023
ECLI:NL:RBMNE:2023:733 · Rechtbank Midden-Nederland · 28 februari 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/civiel-recht/civiel-recht-overig/kort-geding/ecli-nl-rbmne-2023-733
Zaakgegevens
Op 28 februari 2023 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 28 februari 2023
- Datum publicatie
- 23 februari 2023
- Zaaknummer
- 10298254 UV EXPL 23-20 GD/946
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2023:733
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verstekvonnis. Eiseres vraagt ontbinding van het huurcontract. Eiseres verhuurt een bedrijfsruimte aan gedaagde. Op enig moment is een achterstand ontstaan in de betaling van de huur. Ook heeft de burgemeester het bedrijfspand voor de duur van een jaar gesloten in verband met illegale gokpraktijken. De voorzieningenrechter bepaalt dat gedaagde het bedrijfspand moet ontruimen. Ook moet gedaagde de huurachterstand en ontstane boetes betalen aan eiseres.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 10298254 UV EXPL 23-20 GD/946
Kort geding vonnis van 28 februari 2023
inzake
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verder ook te noemen [eiseres] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. R.J.C. Bindels,
tegen:
de stichting
[gedaagde] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verder ook te noemen [gedaagde] ,
gedaagde partij,
niet verschenen
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties,
- de mondelinge behandeling op 23 februari 2023.
Op 21 februari 2023 heeft mr. P.S. Elkhuizen-Koopmans, kantonrechter, bijgestaan door mr. G. Delissen, griffier, een mondelinge behandeling gehouden. Daar was namens [eiseres] , mevrouw [A] (eigenaar) aanwezig, bijgestaan door mr. J.R. van Damme, kantoorgenoot van mr. R.J.C. Bindels. Namens [gedaagde] is niemand verschenen.
Hierna is bepaald dat vandaag een vonnis zou worden uitgesproken.
2 Waar gaat dit kort geding over?
[eiseres] is een vastgoedbedrijf en verhuurt sinds 15 mei 2017 de bedrijfsruimte aan de [adres] in [plaats] aan [gedaagde] . [gedaagde] exploiteert in deze bedrijfsruimte een wijkcentrum. Op enig moment is er een achterstand ontstaan in de betaling van de huur. Daarnaast heeft de burgemeester van [plaats] het gehuurde op 16 januari 2023 voor de duur van een jaar gesloten in verband met illegale gokactiviteiten.
[eiseres] wil zo snel mogelijk weer de beschikking over het gehuurde om het pand het op te knappen en vervolgens weer te verhuren. Zij wil daarom de huurovereenkomst zo spoedig mogelijk laten ontbinden. Vooruitlopend daarop vordert zij in dit kort geding ontruiming van het gehuurde en betaling van € 9.347,80 aan huurachterstand.
3 De beoordeling
Verstek
Bij de dagvaarding zijn de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht genomen, zodat tegen [gedaagde] verstek kan worden verleend.
Spoedeisend belang
Voor toewijzing van de vordering tot ontruiming is slechts plaats indien in hoge mate waarschijnlijk is dat de bodemrechter, indien het geschil aan hem wordt voorgelegd, tot toewijzing van die vordering zal komen, terwijl bovendien sprake moet zijn van een zodanig ernstige tekortkoming dat de beslissing in de bodemzaak niet kan worden afgewacht. Met betrekking tot een geldvordering in kort geding geldt daarbij ook dat rekening gehouden moet worden met de mogelijkheid dat eiser het toegewezen geldbedrag niet terug kan betalen als achteraf blijkt dat de voedering ten onrechte is toegewezen. Terughoudendheid is daarom op zijn plaats.
[eiseres] stelt dat zij spoedeisend belang heeft bij toewijzing van de gevorderde ontruiming en betaling van de achterstallige huur omdat zij de bedrijfsruimte wil opknappen zodat zij die zo snel mogelijk weer kan verhuren. Zij lijdt ook al geruime tijd verlies op het gehuurde. De spoedeisendheid van de zaak is hiermee naar het oordeel van de voorzieningenrechter in voldoende mate komen vast te staan.
Betaling huurachterstand
De huurprijs bedraagt € 1.549,50 per maand en moet iedere eerste van de kalendermaand zijn betaald. De huurachterstand, berekend tot en met 14 januari 2023, bedraagt € 9.347,80. Dat is meer dan zes maanden. Het bestaan en de hoogte van de gevorderde huurachterstand zijn, voor zover de voorzieningenrechter kan nagaan, niet door [gedaagde] betwist. Verder is er geen aanleiding om uit te gaan van een verhoogd restitutierisico aan de kant van [eiseres] . De vordering tot betaling van de achterstallige huur komt de voorzieningenrechter dan ook niet onrechtmatig voor en wordt toegewezen.
De vordering tot betaling van de huurtermijnen gelegen tussen 14 januari 2023 en de daadwerkelijk ontruiming dan wel de ontbinding van de huurovereenkomst wordt eveneens toegewezen.
Ontruiming
[eiseres] legt aan haar vordering tot ontruiming ten grondslag dat [gedaagde] haar verplichtingen die voortvloeien uit de tussen partijen bestaande huurovereenkomst niet is nagekomen, doordat zij ruim zes maanden geen huur heeft betaald.
Ook deze vordering komt de voorzieningenrechter niet onrechtmatig voor. Huurbetaling is één van de hoofdverplichtingen van een huurder en nu [gedaagde] die verplichting niet is nagekomen is het in hoge mate waarschijnlijk dat alleen al om die reden de rechter in een eventuele bodemprocedure tot het oordeel zal komen dat ontbinding van de huurovereenkomst gerechtvaardigd is. De vordering tot ontruiming wordt dan ook toegewezen.
Boetes
In de huurovereenkomst van partijen is overeengekomen dat de Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Winkelruimte (hierna: AV) van toepassing zijn. In artikel 25.3 van de AV is bepaald dat telkens als niet stipt wordt betaald de huurder een boete verbeurt van 1% van de huurprijs met een minimum van € 300,-. Bij een achterstand van zes maanden levert dat een boetebedrag van € 1.800,- op. De vordering tot betaling van € 1.800,- kan daarom worden toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
[eiseres] vordert op grond van artikel 30 van de AV betaling van € 1.402,17 aan buitengerechtelijke incassokosten. Volgens dit artikel is de wettelijke regeling met betrekking tot de maximale vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten niet van toepassing, omdat is overeengekomen dat 15% van de hoofdsom dient te gelden als redelijke kosten. Deze vordering komt de voorzieningenrechter niet onrechtmatig voor en wordt daarom toegewezen.
De proceskosten
Omdat [gedaagde] ongelijk krijgt moet zij de proceskosten van [eiseres] vergoeden. Die kosten worden aan de kant van [eiseres] vastgesteld op:
- dagvaarding € 134,73
- griffierecht € 514,00
- salaris gemachtigde € 793,00tarief gemiddelde zaak)
Totaal € 1.441,73
4 De beslissing
De voorzieningenrechter:
verleent verstek tegen de niet verschenen gedaagde [gedaagde] ,
veroordeelt [gedaagde] om uiterlijk binnen vijf dagen na betekening van het vonnis de bedrijfsruimte aan de [adres] in [plaats] te ontruimen en te verlaten met al hetgeen zich daarin of daarop van zijnetwege bevindt, alsmede de bedrijfsruimte, onder afgifte van alle sleutels van het gehuurde, geheel ter vrije beschikking te stellen aan [eiseres] ,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 9.347,80 aan achterstallige huur berekend tot en met 14 januari 2023,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 1.549,50 per maand (een gedeelte van en maand wordt als een hele maand gerekend), voor iedere maand gelegen in de periode na 14 januari 2023 tot aan de datum van de feitelijke ontruiming dan wel ontbinding van de huurovereenkomst,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 1.800,- aan verbeurde boetes,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 1.402,17 aan buitengerechtelijke incassokosten,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de kant van [eiseres] en begroot deze kosten tot op heden op € 1.441,73,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.S. Elkhuizen-Koopmans, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2023.