Civiel recht overig
Bo-Ex vordert schorsing c.q. staking van de executie van een PV van schikking, dan wel om deze te beperken…
Rechtbank Midden-Nederland, 5 augustus 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:5586 · Rechtbank Midden-Nederland · 5 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/civiel-recht/civiel-recht-overig/kort-geding/ecli-nl-rbmne-2026-5586
Zaakgegevens
Op 5 augustus 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 5 augustus 2026
- Datum publicatie
- 16 augustus 2026
- Zaaknummer
- 12296612 \ UV EXPL 26-164
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:5586
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bo-Ex vordert schorsing c.q. staking van de executie van een PV van schikking, dan wel om deze te beperken tot een in goede justitie te bepalen bedrag. Er is geen sprake van misbruik van recht of strijdigheid met de redelijkheid en billijkheid.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12296612 \ UV EXPL 26-164
Vonnis in kort geding van 5 augustus 2026
in de zaak van
STICHTING BO-EX '91,
gevestigd in Utrecht,
eisende partij,
hierna te noemen: Bo-Ex,
gemachtigde: mr. M.J. Jeths,
tegen
1 [gedaagde partij sub 1] ,
wonende in [woonplaats] ,
2. [gedaagde partij sub 2],
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde partijen] ,
gemachtigde: mr. V.B. Bugday.
1 De procedure
Op 14 juli 2026 heeft Bo-Ex een dagvaarding in kort geding uitgebracht aan het adres van [gedaagde partijen] om op woensdag 22 juli 2026 ter zitting te verschijnen. Op woensdag 22 juli 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hierbij waren namens Bo-Ex mevrouw [A] en de heer [B] aanwezig, bijgestaan door de gemachtigde van Bo-Ex. [gedaagde partijen] werden bijgestaan door hun gemachtigde. [gedaagde partij sub 2] was zelf ook aanwezig. Partijen hebben hun standpunten toegelicht waarbij de gemachtigden gebruik hebben gemaakt van spreekaantekeningen. Partijen hebben op elkaar kunnen reageren en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de zitting.
Aan het einde van de mondelinge behandeling is bepaald dat er vandaag een vonnis zal worden gewezen.
2 De kern van de zaak
In deze zaak vordert Bo-Ex schorsing c.q. staking dan wel opschorting van de tenuitvoerlegging van een proces-verbaal van schikking, dan wel om de executie te beperken tot een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag al dan niet met zekerheid door storting van een bedrag in depot. De kantonrechter oordeelt dat geen sprake van misbruik van recht of strijdigheid met de redelijkheid en billijkheid en de boetes verbeurd zijn geraakt. De vorderingen van Bo-Ex worden daarom afgewezen en zij wordt veroordeeld in de kosten van dit geding.
3 De beoordeling
Partijen hebben op 16 juli 2026 een vaststellingsovereenkomst gesloten met betrekking tot het herstel van gebreken en de schade die door die gebreken is ontstaan. Deze vaststellingsovereenkomst is vastgesteld in een proces-verbaal van 31 juli 2025. In die overeenkomst zijn afspraken gemaakt over welke werkzaamheden verricht moeten worden, binnen welke termijn dat moet gebeuren en wat de gevolgen van niet (tijdige) uitvoering van het herstel van de gebreken en gevolgschade:
-
de werkzaamheden voor het herstel van gebreken dienen uiterlijk op 16 oktober 2025 afgerond te zijn;
-
de werkzaamheden voor het herstel van gevolgschade dienen uiterlijk op 16 december 2025 afgerond te zijn;
-
indien de werkzaamheden niet binnen de daarvoor gestelde termijnen worden afgrond, is Bo-Ex een boete verschuldigd van € 250,00 per dag dat zij hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 25.000,00. De boete is niet verschuldigd indien er sprake is van overmacht, of de vertraging is toe te rekenen aan [gedaagde partij sub 1] en/of [gedaagde partij sub 2] .
Bo-Ex heeft een spoedeisend belang
Voor toewijzing van een vordering in kort geding is een spoedeisend belang vereist. Hiervan is sprake als, gelet op de belangen van partijen, op korte termijn een voorziening geboden is en de afloop van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht.
In deze zaak gaat het om de vraag of [gedaagde partijen] , op basis van het proces-verbaal van 31 juli 2025 waaraan de vaststellingsovereenkomst van 16 juli 2025 is gehecht, mogen overgaan tot executie van – volgens [gedaagde partijen] – twee verbeurde boetes van € 25.000,00, dus in totaal € 50.000,00. Er is sprake van een executiegeschil in de zin van artikel 438 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Met de aard van de vordering is het spoedeisend belang gegeven.
Afronding werkzaamheden “herstel van gebreken”: 2 juni 2026
Partijen verschillen enkel van mening over de vraag of de werkzaamheden met betrekking tot de badkamer op 7 november 2025 al afgerond waren. Dat de andere herstelwerkzaamheden ten aanzien van de gebreken op 7 november 2025 zijn afgerond is niet in geschil. Bo-Ex stelt dat de renovatie van de badkamer op of omstreeks 2 september 2025 afgerond is. Op die datum is een mail gestuurd met betrekking tot de oplevering van de badkamer. [gedaagde partijen] betwisten dat dit het geval is geweest. Uit het rapport van 5 december 2025 blijkt immers dat er diverse gebreken in de badkamer zijn waargenomen, waaronder het kitwerk rondom de S-koppeling dat niet waterdicht lijkt. Bo-Ex betwist niet dat het kitwerk rondom de S-koppeling nog hersteld moest worden na 5 december 2025. Zij weet echter niet, of en wanneer dergelijke werkzaamheden nog hebben plaatsgevonden, maar vastgesteld kan worden dat er nog werkzaamheden plaats moesten vinden, waarvan in ieder geval één punt betrekking had op waterdichtheid. En waterdichtheid treft nu juist de kern van de gebreken waarvoor partijen een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten.
Daarnaast staat vast dat bij de oplevering op 2 juni 2026 de gebreken aan de badkamer, zoals vermeld in het rapport van 5 december 2025, niet meer worden genoemd. Daarmee is niet aannemelijk geworden dat de werkzaamheden eerder zijn afgerond dan 2 juni 2026. Het had op de weg van Bo-Ex gelegen nader te onderzoeken of, en zo ja wanneer de gebreken ten aanzien van de badkamer zoals opgenomen in het rapport van 5 december 2025 zijn hersteld en daarmee haar standpunt nader te onderbouwen. Gelet op het voorgaande gaat de kantonrechter er in haar beoordeling vanuit dat de werkzaamheden met betrekking tot het herstel van gebreken in ieder geval op 2 juni 2026 zijn afgerond.
Er is geen sprake van overmacht aan de zijde van Bo-Ex of van schuld aan de zijde van [gedaagde partijen]
Bo-Ex heeft ten aanzien van de gevelwerkzaamheden (die op 7 november 2025 zijn afgerond en onderdeel waren van het herstel van gebreken) gesteld dat de vertraging aan overmacht te wijten is. De kantonrechter gaat aan dit verweer voorbij nu de datum van afronding van de werkzaamheden niet bepaald wordt door de afronding van de werkzaamheden aan de gevel, maar door de (latere) afronding van de werkzaamheden aan de badkamer.
Afronding werkzaamheden “herstel gevolgschade”: 2 juni 2026
Door Bo-Ex is niet betwist dat de werkzaamheden met betrekking tot de gevolgschade op 2 juni 2026 afgerond zijn.
Er is tweemaal de maximale boete van € 25.000,00 verschuldigd
De herstelwerkzaamheden met betrekking tot de gebreken hadden uiterlijk op 16 oktober 2025 afgerond moeten worden. Zoals in overweging 3.5 is vastgesteld is het niet aannemelijk geworden dat de werkzaamheden voor 2 juni 2026 zijn afgerond. Dit is een overschrijding van de termijn met bijna 8 maanden. Hiermee is de maximale boete verbeurd geraakt.
De herstelwerkzaamheden met betrekking tot de gevolgschade hadden uiterlijk op 16 december 2025 afgerond moeten worden. Zoals in overweging 3.7 is vastgesteld zijn deze werkzaamheden pas op 2 juni 2026 afgerond. Dit is een overschrijding van de termijn met bijna 6 maanden. Hiermee is de maximale boete verbeurd geraakt.
De boete kan geëxecuteerd worden
Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde partijen] uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst een executoriale titel hebben voor een bedrag van € 50.000,00. Bo-Ex vordert, samengevat, dat de executie wordt gestaakt.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat de partij aan wie een executoriale titel is verstrekt, de bevoegdheid heeft om tot tenuitvoerlegging daarvan over te gaan. Dit uitgangspunt geldt te meer in een situatie waarin het gaat om een proces-verbaal van schikking, waarbij partijen zich hebben verbonden aan door henzelf gemaakte afspraken. Slechts in uitzonderlijke gevallen, bij misbruik van bevoegdheid, is er dan reden om in te grijpen en de executie te schorsen of te staken. Dat zal bijvoorbeeld het geval kunnen zijn als de aan het proces-verbaal gehechte vaststellingsovereenkomst klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na het proces-verbaal voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.
Bo-Ex stelt dat [gedaagde partijen] afstand hebben gedaan van hun recht, dan wel het gerechtvaardigd vertrouwen hebben gewekt dat zij geen aanspraak zouden maken op de overeengekomen boetes. Bo-Ex verwijst daarvoor naar de e-mail van 16 december 2025 waarbij gesproken wordt over een – door Bo-Ex zo genoemde – ‘ontsnappingsroute’, waarbij in het kader van een regeling ook over de boete gesproken kon worden. Dit standpunt slaagt niet. In de betreffende mail is juist het recht op deze boetes voorbehouden met de vermelding: ‘dwangsommen die intussen oplopen tot het maximum van € 50.000,00’. Voor beide partijen was duidelijk dat hier gedoeld werd op de boetes uit de vaststellingsovereenkomst.
Daarnaast stelt Bo-Ex dat de executie in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid omdat aan [gedaagde partijen] (tijdelijke) vervangende woonruimte is toegekend, aan hen een korting op de huurprijs is verleend, de verbeurde boete disproportioneel is ten opzichte van het werkelijke nadeel van [gedaagde partijen] en de omstandigheid dat Bo-Ex een woningcorporatie is. Deze stelling volgt de kantonrechter niet. Hierbij is geen sprake van onverwachte of eenzijdig door [gedaagde partijen] opgelegde verplichtingen en omstandigheden, maar afspraken die Bo-Ex zelf onder de gegeven omstandigheden heeft aanvaard, waarover uitgebreid onderhandeld is, inclusief de financiële prikkel. Partijen hebben de verschuldigdheid van de boete ook niet gekoppeld aan schade aan de zijde van [gedaagde partijen] . Dat Bo-Ex het geld nodig heeft voor het realiseren van maatschappelijke doelen maakt het verbeuren van de maximale boete maatschappelijk gezien weliswaar ongemakkelijk, maar dat is een bij ieder bekende omstandigheid die Bo-Ex zelf betrokken zou moeten hebben bij het sluiten van de overeenkomst en het al dan niet nakomen van de gemaakte afspraken.
Ook het feit dat de werkzaamheden op 2 juni 2026 wél zijn afgerond staat niet in de weg aan de verschuldigdheid van de boete; deze dient als prikkel tot nakoming en was kennelijk ook nodig.
Gelet op het voorgaande is daarom ook niet aannemelijk dat in een bodemprocedure besloten zal worden tot matiging van de boete. De vordering om de verdere executie op te schorten in afwachting van de bodemprocedure wordt dan ook afgewezen.
Meer subsidiair heeft Bo-Ex gevorderd de executie te schorsen onder de voorwaarde dat Bo-Ex een bedrag van € 15.000,00 in depot zal storten. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet de kantonrechter geen aanleiding om deze vordering toe te wijzen.
Bo-Ex moet de proceskosten betalen
Bo-Ex is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partijen] worden begroot op:
|
- salaris gemachtigde |
€ |
865,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
144,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
1.009,00 |
4 De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van Bo-Ex af,
veroordeelt Bo-Ex in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Bo-Ex niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. Werner en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026. |
||