Civiel recht overig
Kort geding. Afwijzing vordering om de verrekening en executiemaatregelen met een dwangsom te staken…
Rechtbank Midden-Nederland, 6 augustus 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:5593 · Rechtbank Midden-Nederland · 6 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/civiel-recht/civiel-recht-overig/kort-geding/ecli-nl-rbmne-2026-5593
Zaakgegevens
Op 6 augustus 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 6 augustus 2026
- Datum publicatie
- 17 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/16/613985 / KG ZA 26-404
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. N. Smits
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:5593
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Kort geding. Afwijzing vordering om de verrekening en executiemaatregelen met een dwangsom te staken. Aannemelijk is dat eiser niet heeft voldaan aan de medewerkingsverplichting bij een conservatoir bewijsbeslag en daarom de dwangsom heeft verbeurd.
Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/613985 / KG ZA 26-404
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 6 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. N. Smits,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat mr. R.S. Schouten.
Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Utrecht.
De zaak wordt behandeld door mr. N.A.J. Purcell, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. T.D. Hoefman als griffier.
Aanwezig zijn:
-
de heer [eiser] ;
-
mr. Smits;
-
mr. [A] , kantoorgenoot van mr. Smits;
-
de heer [B] , statutair bestuurder [gedaagde] ;
-
mr. Schouten.
1 Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding van 6 juli 2026 met 13 producties;
-
de akte overlegging nadere producties van [eiser] met producties 14 tot en met 17;
-
de conclusie van antwoord tevens voorwaardelijke conclusie van eis in reconventie, met producties 1 tot en met 13.
Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht en de vragen van de rechter beantwoord. De rechter heeft vervolgens de mondelinge behandeling gesloten en mondeling uitspraak gedaan. Een samenvatting van die mondelinge uitspraak en de motivering daarvan is hieronder opgenomen in paragraaf 3 en 4. Paragraaf 2 is toegevoegd voor de duidelijkheid.
2 Waar gaat deze rechtszaak over?
[eiser] verrichtte in opdracht werkzaamheden voor [gedaagde] . Aangezien [gedaagde] vermoedde dat [eiser] zijn geheimhoudingsverplichting had geschonden, heeft zij, met verlof van de voorzieningenrechter, ten laste van [eiser] bewijsbeslag gelegd. In het verlof is bepaald dat als [eiser] niet meewerkt aan de verplichting om de wachtwoorden en inlogcodes te verstrekken die nodig zijn om bij digitale bestanden te kunnen die op een externe server worden bewaard hij een dwangsom verschuldigd is van € 25.000,-. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] de dwangsom verbeurd. Zij heeft dit bedrag verrekend met het bedrag dat zij volgens een vonnis aan [eiser] moet betalen. [eiser] vordert dat [gedaagde] de verrekening en de executiemaatregelen staakt. Ook vordert [eiser] [gedaagde] te verbieden om executoriaal beslag te leggen op enig vermogensbestanddeel van hem.
De rechter oordeelt dat aannemelijk is dat [eiser] niet heeft voldaan aan de medewerkingsverplichting in het kader van een bewijsbeslag en daarom de dwangsom heeft verbeurd. De vorderingen van [eiser] worden daarom afgewezen. Aan de door [gedaagde] voorwaardelijk ingestelde tegenvorderingen wordt niet toegekomen.
3 De beoordeling
Het spoedeisend belang
[eiser] heeft spoedeisend belang bij zijn vorderingen. De discussie over de verschuldigdheid van de dwangsom is wel al meer dan een jaar oud: in maart 2026 is die al aangezegd. Door de recente gebeurtenissen (het vonnis en het beroep van [gedaagde] op verrekening) is de discussie over de verschuldigdheid van de dwangsom echter weer actueler geworden. [eiser] heeft daarom (net) voldaan aan de eis van spoedeisendheid.
[eiser] heeft niet dan wel onvoldoende medewerking verleend
De vraag is of [eiser] de dwangsom heeft verbeurd omdat hij niet of onvoldoende medewerking heeft verleend aan de verplichting die onder 3.3 van het verlof is opgenomen:
“3.3. bepaalt dat indien redelijke gronden bestaan om te vermoeden dat digitale bestanden waarvoor dit beslagverlof geldt elders op een externe server worden bewaard, gerekwestreerde deze bestanden voor de deurwaarder toegankelijk dient te maken door het verstrekken van de benodigde wachtwoorden en inlogcodes;
bepaalt dat de gerekwestreerde een dwangsom verbeurt van € 25.000,- als hij/zij niet of onvoldoende medewerking verleent aan de in 3.3 genoemde medewerkingsplicht, nadat de deurwaarder duidelijk heeft gemaakt welke medewerking van hem/haar wordt verwacht en binnen welke redelijke termijn hij/zij dat moet doen en slechts nadat die redelijke termijn is verstreken. De deurwaarder moet dit nauwkeurig moet vastleggen in het proces-verbaal;”
Ik wil voorop stellen dat voldoende duidelijk is dat [eiser] van meet af aan het bewijsbeslag heeft gefrustreerd, in ieder geval voor wat betreft het beslag op zijn telefoon. Dat [eiser] , die op 19 maart 2025 om 9:55 door de deurwaarder op zijn telefoon werd gebeld en met de deurwaarder afsprak naar huis te komen zijn telefoon was ‘vergeten’ toen hij daar anderhalf uur later aankwam is volstrekt onaannemelijk. Uit productie 14 van [gedaagde] en wat [gedaagde] hier verder over heeft gesteld blijkt ook vrij duidelijk dat [eiser] nooit zijn telefoon bij de deurwaarder heeft ingeleverd, maar een leeggemaakte en opnieuw geïnstalleerde oude iPhone 8 Plus. [eiser] heeft niets naar voren gebracht dat de conclusies van [gedaagde] weerspreekt.
Maar anders dan [gedaagde] stelt, kan [eiser] niet de dwangsom verbeurd hebben door zijn gesjoemel met de telefoon. De dwangsom van punt 3.4 staat niet op het frustreren van het beslag, maar is gekoppeld aan de specifieke verplichting uit punt 3.3: de verplichting van [eiser] dat hij digitale bestanden waarvoor dit beslagverlof geldt die elders op een externe server worden bewaard voor de deurwaarder toegankelijk moet maken door het verstrekken van de benodigde wachtwoorden en inlogcodes.
Duidelijk is om te beginnen dat het beslagverlof (ook) geldt voor ‘digitale bestanden … die elders op een externe server worden bewaard’. Onder punt 25 van het verzoek – waar in 3.2 van het verlof naar wordt verwezen – worden onder meer ‘alle cloud-gegevens van [eiser] ’ en ‘alle e-mailboxen van [eiser] ' genoemd.
Uit het door de deurwaarder opgemaakte proces-verbaal blijkt het volgende. Op 19 maart 2025 om 9:55 uur heeft de deurwaarder het verlof betekend aan de zoon van [eiser] . In het exploot is gewezen op de verplichting van 3.3 en de sanctie van 3.4. Kort na de betekening heeft de deurwaarder gebeld met [eiser] . In dat telefoongesprek heeft de deurwaarder [eiser] expliciet gewezen op de verplichting van 3.3 en op de dwangsom, zo verklaart de deurwaarder in het proces-verbaal van 19 maart 2025 (productie 9 [gedaagde] ). [eiser] wist dus om 9:55 uur dat er een dwangsom stond op het niet medewerken aan de verplichting om wachtwoorden en inlogcodes voor bestanden op externe servers te geven. Aan het einde van de ochtend is [eiser] thuisgekomen en de deurwaarder heeft het volgende verklaard over vragen naar inlogcodes:
“Om 12:00 uur heb ik hem gevraagd of hij aan mij de inlogcodes van deze gegevensdragers en de gegevens van zijn cloud omgeving wilde afgeven. Hij gaf te kennen dat hij niet in de cloud werkt. Hij gaf duidelijk aan mij te kennen dat hij hiertoe niet bereid was om zijn inlogcodes op dit moment met mij te delen. (…)”
De weigering waar de deurwaarder het over heeft zag kennelijk op het afgeven van inlogcodes voor de gegevensdragers (laptops), waar 3.3 niet op ziet; voor wat betreft de verplichting inlogcodes te geven voor de cloudomgeving, waar 3.3 wel op ziet, heeft [eiser] dus verklaard dat hij niet in de cloud werkt. Dat heeft hij net ook op zitting bevestigd.
De mededeling van [eiser] dat hij niet werkt in de cloud was feitelijk onjuist. Dat blijkt uit het proces-verbaal van de deurwaarder 26 maart 2025 (productie 10 [gedaagde] ) over de dag waarop [eiser] op het kantoor van de deurwaarder wél gegevens verstrekt en waarin wordt gesproken over wachtwoorden voor de clouddiensten en specifiek nog wordt verwezen naar een Gmail account, kennelijk die van het mailadres waarmee [eiser] mailt. Op de zitting heeft [eiser] aangevoerd dat hij dacht dat de ‘cloud omgeving’ ging over documenten waaraan hij werkte en niet om dingen als e-mail. Dat is niet aannemelijk. Iemand als [eiser] weet heus wel dat e-mail doorgaans in de cloud staat. En ongeacht of [eiser] een iPhone 14/15 had of een 8 Plus, zal [eiser] wel eens gehoord hebben van iCloud, waar allerlei gegevens van iPhone gebruikers worden opgeslagen. Zijn opmerking was dus onjuist en voldoende aannemelijk is dat [eiser] dat wist. Ik laat buiten beschouwing of het iets zou uitmaken als [eiser] dit verkeerd zou hebben begrepen en voor wiens risico eventuele verwarring komt.
In het verlof is in punt 3.4. de voorwaarde opgenomen dat de deurwaarder duidelijk moet maken wat van [eiser] verwacht wordt en binnen welke redelijke termijn hij daaraan moet voldoen. Uit het proces-verbaal blijkt dat de deurwaarder voldoende concreet heeft gemaakt wat hij van [eiser] verwachtte, namelijk dat hij de inloggegevens wilde van ‘zijn cloud omgeving’. Waaraan [eiser] moest voldoen was dus duidelijk, hij moest komen met de inloggegevens om gegevens die op een externe server stonden toegankelijk te maken. Omdat [eiser] meteen aangaf dat die gegevens niet bestonden, hoefde de deurwaarder niet een termijn te stellen. Immers, als iemand zegt iets niet te hebben, is het nutteloos om een termijn te stellen om het te geven. Door onjuist te verklaren dat er geen gegevens in de cloud waren, heeft [eiser] dan de dwangsom verbeurd.
Het gegeven dat [eiser] een week later, op 26 maart 2025, alsnog inloggegevens voor clouddiensten aan de deurwaarder heeft verstrekt betekent niet dat hij de dwangsom niet heeft verbeurd. Voor digitale gegevens in de cloud is van essentieel belang dat de deurwaarder die direct op het moment van het beslag veilig kan stellen. De beslagene moet geen kans hebben gegevens weg te maken. Als het gaat om digitale gegevens die alleen maar op een gegevensdrager staan, zoals een laptop, en nergens anders, is het afdoende om de gegevensdrager fysiek in beslag te nemen, en dan is het niet zo erg als het wat langer duurt voordat de beslagene een inlogcode geeft. Maar bij gegevens die (ook) in de cloud staan, is het van groot belang dat de deurwaarder direct toegang krijgt. Als pas een week later toegang wordt gegeven tot gegevens dan gaat dit het doel van het bewijsbeslag voorbij: de beslagene kan dan al van alles hebben verwijderd. De geschiedenis met de telefoon laat ook zien dat [eiser] er ook de man naar is om dat te doen.
De conclusie is dat het aannemelijk is dat, zoals [gedaagde] stelt, [eiser] de dwangsom is verbeurd. De vorderingen van [eiser] worden daarom afgewezen.
[eiser] moet de proceskosten betalen
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
|
- griffierecht |
€ |
3.083,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
1.177,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
4.449,00 |
Aan de voorwaardelijke tegenvorderingen wordt niet toegekomen
Aan de voorwaardelijk ingestelde tegenvorderingen kom ik niet toe, aangezien de voorwaarde waaronder deze zijn ingesteld (toewijzing van de vorderingen van [eiser] ) niet is vervuld.
4 De beslissing
De rechtbank:
wijst de vorderingen van [eiser] af;
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 4.449,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. N.A.J. Purcell en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de rechter.