Civiel recht overig
Mondelinge uitspraak in kort geding; De voorzieningenrechter veroordeelt [gedaagde] tot terugbetaling van het…
Rechtbank Midden-Nederland, 3 september 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:6322 · Rechtbank Midden-Nederland · 3 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/civiel-recht/civiel-recht-overig/kort-geding/ecli-nl-rbmne-2026-6322
Zaakgegevens
Op 3 september 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 3 september 2026
- Datum publicatie
- 15 september 2026
- Zaaknummer
- C/16/615917 / KG ZA 26-497
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:6322
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Mondelinge uitspraak in kort geding; De voorzieningenrechter veroordeelt [gedaagde] tot terugbetaling van het restant van de EUR 620.000 aan [eiseres] (waarvan [gedaagde] 50% van de aandelen bezit en een de twee statutaire bestuurders is). [eiseres] heeft dat bedrag op 21 januari 2026 aan [gedaagde] verstrekt.
Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/615917 / KG ZA 26-497
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 3 september 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaten: mr. E.A. Buziau en mr. L.M. Wolfs te Amsterdam,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
in persoon verschenen.
Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Utrecht.
De zaak wordt behandeld door mr. N.A.J. Purcell, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J.J. Overbosch als griffier.
Aanwezig zijn:
- de heer [A] (middellijk statutair bestuurder van [eiseres] , hierna: [A] )
- mr. Buziau
- mr. Wolfs
- de heer [B] (statutair bestuurder van [gedaagde] , hierna: [B] ).
1 Inleiding
[eiseres] heeft op 21 januari 2026 € 620.000 verstrekt aan [gedaagde] , waarvan nog € 340.000,00 plus rente openstaat. [eiseres] vordert in deze procedure:
-
terugbetaling van dat nog openstaande bedrag;
-
wettelijke rente over dat bedrag en over de bedragen die al zijn terugbetaald;
-
afschrift van alle schriftelijke correspondentie (inclusief bijlagen) tussen [B] en/of [gedaagde] enerzijds en de huisbank van [eiseres] waarover [gedaagde] beschikt, vanaf 1 januari 2026 tot heden en betreffende:
(1) een voorstel tot overname, verlaging of herfinanciering van de Vendor Loan;
(2) de financiële positie van [eiseres] en/of (diens dochtervennootschap) [onderneming 1] B.V.; of
(3) de kredietrelatie van [eiseres] ;
- om [gedaagde] te verbieden om met die bank en de schuldeiser van de Vendor Loan contact te hebben over de Vendor Loan, andere financiering, de financiële positie van [eiseres] en de kredietrelatie van [eiseres] ;
met dwangsommen, rente, kosten en uitvoerbaar bij voorraadverklaring.
Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de voorzieningenrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.
2 De beoordeling
[eiseres] is ontvankelijk
[gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiseres] niet ontvankelijk is, omdat zij bij het instellen van deze procedure niet – zoals vereist op grond van artikel 16 lid 2 van haar statuten – door ten minste twee bestuurders is vertegenwoordigd. [eiseres] is daarbij immers alleen vertegenwoordigd door statutair bestuurder [onderneming 2] B.V., de vennootschap van [A] ). De andere statutair bestuurder is [gedaagde] zelf, en die wil deze procedure juist niet.
De voorzieningenrechter volgt dit betoog niet. De kort gedingprocedure is bedoeld om in spoedeisende gevallen ordemaatregelen te nemen. Als dit verweer van [gedaagde] slaagt, zou [eiseres] alleen tegen [gedaagde] kunnen procederen als die daar zelf mee instemt. Er kunnen dan allerlei catch-22-achtige situaties ontstaan, die alleen met een gang naar de Ondernemingskamer kunnen worden opgelost. Het is duidelijk dat het in het belang van alle partijen dat over deze op zich eenvoudige kwestie duidelijkheid komt. De goede trouw die [gedaagde] en [eiseres] en medeaandeelhouder en medebestuurder [onderneming 2] ten opzichte van elkaar in acht moeten nemen, brengt mee dat zij niet moeten weglopen voor een discussie als deze door formele standpunten in te nemen. Die discussie moeten zij gewoon inhoudelijk voor rechter voeren. Uitgangspunt is dan ook dat [eiseres] ontvankelijk is. Op de vraag of [gedaagde] zich kan wel beroepen op interne regels van [eiseres] hoeft niet te worden ingegaan.
De geldvordering worden toegewezen
Buiten kijf staat dat [eiseres] op 21 januari 2026 € 620.000,00 aan [gedaagde] heeft betaald. [eiseres] stelt dat er geen rechtsgrond was voor die betaling. De stelplicht en bewijslast dat er geen rechtsgrond was, rust op [eiseres] . Volgens [gedaagde] is die rechtsgrond er wel, omdat uit de mailwisseling 4 november 2026 blijkt dat [A] heeft toegezegd dat [eiseres] dat bedrag tijdelijk aan [gedaagde] zou lenen.
[eiseres] heeft aangevoerd dat [A] en [B] weliswaar al eerder hadden besproken dat [eiseres] tijdelijk € 620.000,00 naar [gedaagde] zou overmaken, wat [eiseres] vervolgens ook één dag heeft gedaan, namelijk op 28 oktober 2025. Volgens [eiseres] is nooit besproken dat [gedaagde] dat bedrag later – of zelfs nog in januari 2026 – opnieuw van haar mocht lenen, laat staan dat dat zou kunnen voor langer dan heel even.
Daartegenover staat echter de mailwisseling van 4 november 2025 – dus na het geschuif met geld op 28 oktober 2025 – waarin duidelijk zwart op wit staat dat [gedaagde] ‘binnenkort’ – dus in de toekomst – € 620.000,00 van [eiseres] wil lenen en [A] daarop “Is akkoord” heeft geantwoord. Daar komt bij dat partijen het erover eens zijn dat er ten minste is besproken dat [gedaagde] tijdelijk geld nodig had voor een investering. Dat zijn flinke obstakels voor [eiseres] . Twee andere omstandigheden zijn meer in het voordeel van [eiseres] : Ten eerste heeft [A] al op 22 januari 2025, één dag na de uitbetaling, aan [B] berichten gestuurd waarin hij zijn verbazing over de overboeking uitspreekt. Die verbazing komt op de voorzieningenrechter authentiek over. [A] had het destijds gegeven akkoord in ieder geval zelf niet begrepen als toestemming voor nog een betaling aan [gedaagde] . Het tweede punt is dat het dat moment bepaald niet logisch was voor [A] om akkoord te gaan met een lening aan [gedaagde] , gelet op de afspraken met de bank en de discussie over de winstuitkering over 2025 die in die periode ook speelde.
Ook met deze punten is het echter onvoldoende aannemelijk dat de betaling zonder rechtsgrond is verricht. De voorzieningenrechter neemt dan ook tot uitgangspunt dat die rechtsgrond er wel was, namelijk de afspraak zoals die blijkt uit de berichtenwisseling van 4 november 2025.
De vervolgvraag is hoe die afspraak precies geduid moet worden. In het bericht van [B] , waarin hij vraagt of [eiseres] het bedrag van € 620.000,00 ter beschikking van [gedaagde] wil stellen, staat twee keer het woord tijdelijk, dat het bedrag spoedig terug moet, na de verkoop van enkele assets. De vraag is hoe [gedaagde] het akkoord mocht opvatten dat [A] op die – best vage – tekst heeft gegeven. De voorzieningenrechter is van oordeelt dat [gedaagde] aan dat akkoord een bepaald vertrouwen mocht ontlenen dat [eiseres] ermee akkoord was dat [gedaagde] dat bedrag een tijdje mocht gebruiken voor haar investering, totdat zij een andere asset in kon schuiven.
Het betoog van [eiseres] dat de 6-wekentermijn van artikel 7:129e BW van toepassing is, wordt verworpen. Die termijn geldt alleen als echt helemaal niets is afgesproken over het moment van terugbetaling. Hier is wel iets afgesproken. Die afspraken zijn zoals gezegd heel vaag, maar wel zo concreet dat die restbepaling niet van toepassing is.
De voorzieningenrechter verwerpt het betoog van [gedaagde] dat de lening nog niet opeisbaar is. Het is voldoende aannemelijk dat [gedaagde] de lening al enige tijd geleden had moeten terugbetalen. Hoe ruim de voorzieningenrechter “tijdelijk” en “spoedig” in de berichten van 4 november 2025 ook interpreteert, de uitkomst zal hoe dan ook niet ruimer zijn dan de meer dan acht maanden die inmiddels zijn verstreken. Bij dat oordeel is van belang dat het vage begrip “tijdelijk” is gekoppeld aan de afwikkeling van de verkoop van enkele assets. Die verkoop heeft [B] compleet in eigen hand. [A] weet daar niets vanaf en heeft daar geen enkele controle over. Inmiddels zijn we acht maanden verder. Dat is meer dan genoeg geweest.
De voorzieningenrechter zal [gedaagde] dan ook veroordelen om het openstaande bedrag terug te betalen, niet op grond van onverschuldigde betaling, maar op grond van nakoming, die [eiseres] vandaag ook als grondslag heeft opgevoerd. Op het gevorderde bedrag van € 540.000,00 zal de € 200.000 die [gedaagde] gisteren heeft betaald in mindering worden gebracht. De gevorderde rente wordt ook toegewezen. Uit de berichten van 4 november 2025 blijkt dat een rente van 4% is afgesproken. Dat is hetzelfde percentage als de gevorderde wettelijke rente.
De inzagevordering en het verbod om een schuldeiser te benaderen worden beide afgewezen
[eiseres] heeft tijdig haar eis vermeerderd met een inzagevordering en een verbod om de bank en een van de schuldeisers te benaderen. [gedaagde] heeft gevraagd om die vorderingen niet toe te laten omdat ze zo kort voor deze mondelinge behandeling zijn ingediend, maar de voorzieningenrechter laat beide vorderingen toe. Een vermeerdering kan in beginsel tot op de zitting. Van strijd met de goede procesorde is niet gebleken. [gedaagde] heeft op de vorderingen kunnen reageren en is dus niet in enig belang geschaad.
Inhoudelijk heeft [gedaagde] met betrekking tot de inzagevorderingen betwist dat zij überhaupt berichten of stukken met de bank heeft uitgewisseld. De voorzieningenrechter ziet onvoldoende grond om de inzagevordering toe te wijzen; niet in het bericht aan de betreffende schuldeiser en ook niet anderszins. De inzagevordering wordt dan ook afgewezen. De vordering om [gedaagde] te verbieden om de bank en de schuldeiser van de Vendor Loan in de toekomst nog te benaderen (anders dan met instemming van [onderneming 2] ) wordt ook afgewezen. Er zijn geen aanwijzingen dat [B] eenzijdig de bank of de betreffende schuldeiser te benaderen of anderszins gekke dingen gaat doen. De voorzieningenrechter ziet dan ook onvoldoende aanleiding op dit punt in te grijpen.
[gedaagde] krijgt ongelijk en moet een proceskostenvergoeding betalen
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
125,57 |
|
|
- griffierecht |
€ |
7.062,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
1.177,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
8.553,57 |
3 De beslissing
De voorzieningenrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 340.000,00, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 4% per jaar over:
- € 340.000,00 met ingang van 21 januari 2026 tot de dag van volledige betaling,
- € 30.000,00 over de periode van 21 januari 2026 tot en met 28 januari 2026,
- € 35.000,00 over de periode van 21 januari 2026 tot en met 19 mei 2026,
- € 15.000,00 over de periode van 21 januari 2026 tot en met 1 juni 2026,
- € 200.000,00 over de periode van 21 januari 2026 tot en met 2 september 2026,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 8.553,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart deze uitspraak wat betreft de onder 3.1 en 3.2 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. N.A.J. Purcell en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
|
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de voorzieningenrechter. |
||