Civiel recht overig

Vonnis in kort geding van 16 september 2026 op het verzoek tot herstel.

Rechtbank Midden-Nederland, 16 september 2026

Zaakgegevens

Op 16 september 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
16 september 2026
Datum publicatie
16 september 2026
Zaaknummer
C/16/617267 / KG ZA 26-546
Procedure
Kort geding
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:6359
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vonnis in kort geding van 16 september 2026 op het verzoek tot herstel.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: C/16/617267 / KG ZA 26-546

Vonnis in kort geding van 16 september 2026 op het verzoek tot herstel

in de zaak van

[eisende partij] B.V.,

te [vestigingsplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eisende partij] ,

advocaten: mrs. B.S. Nonnekes en D. Andringa

tegen

[gedaagde partij] ,

te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde partij] ,

niet verschenen.

1 Het verzoek tot verbetering en de boordeling daarvan

1.1.

Op 15 september 2026 heeft [eisende partij] de voorzieningenrechter verzocht om verbetering van het op 15 september 2026 in deze zaak gewezen verstekvonnis. Er zou sprake zijn van een kennelijke verschrijving, omdat in de punten 5.3 en 5.4 van het dictum wordt verwezen naar punt 5.1, terwijl er moet worden verwezen naar punt 5.2..

1.2.

Er is inderdaad sprake van een kennelijke verschrijving (duidelijke vergissing). Dat volgt uit de tekst van de punten 5.3. en 5.4. van het verstekvonnis. Deze kennelijke verschrijving zal daarom op grond van artikel 31 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden verbeterd.

2 De beslissing

De voorzieningenrechter

2.1.

bepaalt dat randnummer 5.3. van het op 15 september 2026 tussen partijen gewezen vonnis, waar staat:

“ bepaalt dat het in 5.1. genoemde verbod geldt voor een periode van 1 jaar te rekenen vanaf de datum van dit vonnis,

wordt gewijzigd in

“ bepaalt dat het in 5.2. genoemde verbod geldt voor een periode van 1 jaar te rekenen vanaf de datum van dit vonnis”,

2.2.

bepaalt dat randnummer 5.4. van het op 15 september 2026 tussen partijen gewezen vonnis, waar staat:

“ veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] een dwangsom te betalen van € 5.000,00 voor iedere keer dat zij niet aan het in 5.1. genoemde verbod voldoet, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,

wordt gewijzigd in

veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] een dwangsom te betalen van € 5.000,00 voor iedere keer dat zij niet aan het in 5.2. genoemde verbod voldoet, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,

2.3.

bepaalt dat deze verbeteringen onder de vermelding van de datum
16 september 2026 wordt vermeld op de minuut van het vonnis van 15 september 2026,

2.4.

verzoekt de partij die de grosse heeft ontvangen, voor zover zij dit niet al heeft gedaan, de ontvangen grosse van het vonnis van 15 september 2026 na ontvangst van dit verbetervonnis aan de griffie van de rechtbank terug te sturen.


Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Schuman en in het openbaar uitgesproken op
16 september 2026.


4374