Civiel recht overig
Rechtbank Midden-Nederland · Kort geding · Civiel recht overig
Rechtbank Midden-Nederland, 2 oktober 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:7007 · Rechtbank Midden-Nederland · 2 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/civiel-recht/civiel-recht-overig/kort-geding/ecli-nl-rbmne-2026-7007
Zaakgegevens
Op 2 oktober 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 2 oktober 2026
- Datum publicatie
- 13 oktober 2026
- Zaaknummer
- 12335526 \ MV EXPL 26-110
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:7007
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
toekennen huurrecht
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12335526 \ MV EXPL 26-110
Vonnis in kort geding van 2 oktober 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonend in [woonplaats] ,
eiser, hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M.C. Krau,
tegen
[gedaagde] ,
woonplaats kiezend in [woonplaats] ,
gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde] ,
procedeert met een toevoeging nummer: 4RJ9643,
gemachtigde: mr. C.M. Suurmeijer.
1 De procedure
De voorzieningenrechter heeft de volgende stukken ontvangen:
- de dagvaarding, met zeven producties;
- de conclusie van antwoord;
- de nagekomen productie acht van [eiser] .
Op 11 september 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eiser] was verschenen, bijgestaan door mr. Krau en een vertaler in de Engelse taal. [gedaagde] was ook aanwezig, bijgestaan door mr. Suurmeijer en een tolk in de Engelse taal. Partijen hebben hun standpunten kunnen toelichten. Mr. Krau heeft dat gedaan aan de hand van een pleitnota, die zij heeft voorgedragen. De pleitnota is aan het dossier toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat met partijen op de zitting is besproken.
2 De kern van de zaak
[eiser] huurt sinds 27 juni 2022 de woning aan de [adres] in [plaats] (hierna: de woning). [eiser] is in december 2023 in Pakistan getrouwd met [gedaagde] . In februari 2024 is [gedaagde] samen met [eiser] in de woning gaan wonen en is zij op dat woonadres ingeschreven. Op 5 mei 2026 zijn [eiser] en [gedaagde] in Pakistan gescheiden. [gedaagde] heeft de woning in juli 2026 verlaten. Haar spullen heeft zij in de woning achtergelaten. Ook de sleutel van de woning had zij ten tijde van de zitting nog in haar bezit.
[eiser] vordert in deze procedure dat de voorzieningenrechter [gedaagde] veroordeelt tot:
1- ontruiming van de woning met afgifte van de sleutels aan [eiser] , onder verbeurte van een dwangsom;
2- [eiser] zelf de ontruiming mag laten uitvoeren met behulp van een deurwaarder en de politie;
3- betaling van € 1.604,00 aan achterstallige vergoedingen berekend tot 1 augustus 2026;
4- betaling van een bedrag van € 556,54 aan vergoedingen per maand vanaf 1 augustus 2026 tot aan de dag van ontruiming.
3 De beoordeling
Partijen hebben op de zitting afspraken gemaakt. Zij hebben afgesproken dat [gedaagde] binnen één week na de zitting de sleutel van de woning aan [eiser] teruggeeft en dat zij haar spullen uit de woning haalt. [eiser] trekt door die afspraak zijn vorderingen tot betaling van de achterstallige vergoedingen en betaling van de maandelijkse vergoeding vanaf 1 augustus 2026 in. Deze afspraken zijn opgenomen in de zittingsaantekeningen. De vorderingen onder 3) en 4) liggen door de gemaakte afspraken niet meer ter beoordeling voor.
Dit betekent dat alleen nog de vordering tot ontruiming moet worden beoordeeld. Een voorziening in kort geding kan alleen worden toegewezen als de partij die de voorziening vordert, daarbij een spoedeisend belang heeft. Dit spoedeisend belang moet worden beoordeeld op het moment van dit vonnis, mede uitgaande van datgene wat op de zitting door partijen naar voren is gebracht. Van een spoedeisend belang is sprake als, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening nodig is en van [eiser] niet kan worden verwacht dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang bij de ontruimingsvordering ontbreekt. De voorzieningenrechter zal [eiser] daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering. Hierna wordt dit oordeel toegelicht.
Geen spoedeisend belang bij de gevorderde ontruiming
[eiser] zegt dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering tot ontruiming, omdat het na de echtscheiding samen in de woning wonen onhoudbaar is gebleken met telkens een risico op escalatie. [gedaagde] heeft nooit aan [eiser] kenbaar gemaakt dat ze is verhuisd, ze heeft nog steeds de sleutel van de woning, een groot deel van haar bezittingen ligt nog in de woning en ze staat nog op het adres van de woning ingeschreven. Volgens [eiser] kan [gedaagde] daardoor feitelijk elk moment in de woning terugkeren en hij verwacht dat zij dat daadwerkelijk zal doen.
[gedaagde] meent dat het spoedeisend belang ontbreekt. De voorzieningenrechter is dat met [gedaagde] eens en legt hierna uit waarom.
Vaststaat dat [gedaagde] uiterlijk op 24 juli 2026 uit de woning is vertrokken. Zij heeft een logeeradres gevonden en kan daar tijdelijk verblijven. Ze is na een gesprek met een psycholoog op advies van die psycholoog voor haar veiligheid niet naar de woning teruggegaan en ze heeft haar spullen daardoor in de woning achtergelaten en de sleutel van de woning tot aan de zitting (nog) niet aan [eiser] teruggegeven. Er zijn sinds [gedaagde] de woning heeft verlaten geen aanwijzingen dat zij wil(de) terugkeren naar de woning, terwijl inmiddels geruime tijd is verstreken. Ter zitting heeft [gedaagde] ook gezegd dat zij niet terug wil naar de woning en dat zij de sleutel van de woning daarom aan [eiser] wil teruggeven en haar spullen uit de woning wil halen. De afspraken daartoe hebben partijen op de zitting dan ook met elkaar gemaakt en de voorzieningenrechter gaat ervan uit dat die afspraken inmiddels zijn nagekomen. Gelet op deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat geen sprake is van een zodanig spoedeisend belang bij de vordering tot ontruiming dat [eiser] de uitkomst van een eventuele bodemprocedure niet zou kunnen afwachten.
De voorzieningenrechter merkt aanvullend op dat partijen in deze procedure onder andere van mening verschillen over de vraag of de echtscheiding in Pakistan hier in Nederland wordt erkend en of [gedaagde] in de huidige situatie nog steeds medehuurder van de woning is (ex artikel 7:266 BW). Vanwege het ontbreken van het spoedeisend belang kunnen de antwoorden op die vragen in deze procedure in het midden blijven.
Proceskosten
Omdat partijen met elkaar gehuwd zijn (geweest) en het geschil tussen hen verband houdt met de relatie die partijen hebben gehad, compenseert de voorzieningenrechter de proceskosten tussen partijen. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
4 De beslissing
De voorzieningenrechter:
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen;
compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.W. Nederveen en in het openbaar uitgesproken op
2 oktober 2026.
41264