Verbintenissenrecht

Kort geding. Mondelinge uitspraak. Opzegging overeenkomst. Zwaarwegende grond.

Rechtbank Midden-Nederland, 24 december 2019

Zaakgegevens

Op 24 december 2019 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
24 december 2019
Datum publicatie
6 januari 2020
Zaaknummer
C/16/492156 / KG ZA 19-716
Procedure
Kort geding
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2019:6196
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Kort geding. Mondelinge uitspraak. Opzegging overeenkomst. Zwaarwegende grond.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]proces-verbaal

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/492156 / KG ZA 19-716

Proces-verbaal van de zitting, gehouden op 24 december 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. M. de Boorder,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

gedaagde,

gemachtigde mr. E.L.E. van Gisteren.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

De zitting wordt gehouden in het gebouw van deze rechtbank ter behandeling van een vordering in kort geding.

Tegenwoordig zijn mr. P.S. Elkhuizen-Koopmans, voorzieningenrechter, en mr. R. Bloemink, griffier.

Na uitroeping van de zaak verschijnen

  • de heer [A] , statutair bestuurder van [eiseres] ,

  • mr. De Boorder voornoemd,

  • de heer [B] , financieel directeur van [gedaagde] ,

  • mr. Van Gisteren voornoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De voorzieningenrechter heeft de volgende stukken van partijen ontvangen:

- de dagvaarding, met producties 1 tot en met 9;

- productie 10 van [eiseres] ;

- producties 1 tot en met 4 [gedaagde] .

1.2.

Op de zitting van 24 december 2019 hebben partijen hun standpunten mondeling toegelicht aan de hand van pleitnota’s, die onderdeel uitmaken van het procesdossier. Na een schorsing van de zitting heeft de voorzieningenrechter mondeling uitspraak gedaan. Dit proces-verbaal betreft de vastlegging van die uitspraak.

2 Waar gaat deze zaak over?

2.1.

[eiseres] en [gedaagde] hebben op 1 november 2016 een overeenkomst van opdracht gesloten. Op grond daarvan heeft [eiseres] voor [gedaagde] auto’s gepoetst in een door [gedaagde] ter beschikking gestelde locatie. Op 20 juni 2019 heeft [gedaagde] de overeenkomst opgeschort; bij brief van 17 juli 2019 heeft [gedaagde] de overeenkomst opgezegd.

2.2.

Volgens [eiseres] kon [gedaagde] de overeenkomst niet opzeggen, omdat zij geen geldige reden daarvoor heeft. [eiseres] komt door de opzegging in ernstige financiële problemen. Zij vordert, samengevat, dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot voortzetting van de overeenkomst, op straffe van een dwangsom.

3 De beoordeling

3.1.

De vraag die in dit kort geding centraal staat, is of [gedaagde] de overeenkomst mocht opzeggen.

3.2.

In de schriftelijke overeenkomst is bepaald dat in het geval de kwaliteit van het werk niet is wat [gedaagde] daarvan mag verwachten, een schriftelijke waarschuwing zal volgen. Als er drie schriftelijke waarschuwingen zijn uitgegaan, is [gedaagde] gerechtigd op grond daarvan de overeenkomst op te zeggen. [eiseres] verbindt aan deze bepaling de conclusie dat [gedaagde] slechts gerechtigd is tot opzegging als er drie waarschuwingen zijn geweest, en dat is niet gebeurd.

3.3.

De voorzieningenrechter volgt [eiseres] niet in deze redenering. Bedoelde bepaling ziet uitsluitend op een tekortschieten in de uitvoering van de werkzaamheden door [eiseres] . [gedaagde] , echter, heeft een andere opzeggingsgrond aangevoerd, waarover hierna meer. De overeenkomst voorziet dus niet in een regeling voor opzegging in dit geval.

3.4.

Hier is artikel 7:408 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing, waarin is bepaald dat een opdrachtgever de overeenkomst altijd kan opzeggen. Daarnaast geldt dat de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid mee kan brengen dat voor opzegging een zwaarwegende grond is vereist (HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141).

3.5.

Voor zover in dit geval een zwaarwegende grond zou zijn vereist, is de voorzieningenrechter van oordeel dat die grond aanwezig is. Hierbij is van belang dat [eiseres] niet of onvoldoende heeft weersproken dat [eiseres] feitelijk een directe voortzetting is, op dezelfde locatie, van [bedrijfsnaam] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam] ). Laatstgenoemde is failliet verklaard. [gedaagde] is vervolgens op grond van artikel 35 Invorderingswet 1990 door de Belastingdienst aansprakelijk gesteld voor de afdracht van, in ieder geval, sociale premies en loonheffing, die [bedrijfsnaam] ten onrechte niet heeft betaald. De heer [C] was middellijk bestuurder van [bedrijfsnaam] en ook manager en contactpersoon van [eiseres] . [C] heeft ook de overeenkomst met [gedaagde] namens [eiseres] ondertekend. Daar komt bij dat onbetwist is dat de jaarstukken [eiseres] sinds 2016 niet zijn gedeponeerd bij de kamer van koophandel.

3.6.

Gezien deze gang van zaken is [gedaagde] terecht bevreesd dat de Belastingdienst ook voor schulden van [eiseres] bij haar zal aankloppen. Dat is een zwaarwegende grond voor opzegging. Het enkele feit dat [eiseres] schade lijdt ten gevolge van de opzegging door [gedaagde] , maakt dit niet anders. De vordering zal dus worden afgewezen.

Proceskosten

3.7.

Omdat [eiseres] ongelijk krijgt, wordt zij in de proceskosten veroordeeld. De proceskosten aan de kant van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 629,00

- salaris gemachtigde € 980,00 (1 punten x tarief € 980,00)

Totaal € 1.609,00

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

4.1.

wijst de vordering af;

4.2.

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.609.

Waarvan proces-verbaal,