Verbintenissenrecht
Kort geding. Vordering tot nakoming overeenkomst die ziet op het plaatsen en beheren van laadpalen voor…
Rechtbank Midden-Nederland, 19 augustus 2021
ECLI:NL:RBMNE:2021:3993 · Rechtbank Midden-Nederland · 19 augustus 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/civiel-recht/verbintenissenrecht/kort-geding/ecli-nl-rbmne-2021-3993
Zaakgegevens
Op 19 augustus 2021 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Lelystad
- Datum uitspraak
- 19 augustus 2021
- Datum publicatie
- 23 augustus 2021
- Zaaknummer
- C/16/524923 / KL ZA 21-183
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2021:3993
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Kort geding. Vordering tot nakoming overeenkomst die ziet op het plaatsen en beheren van laadpalen voor elektrische voertuigen. Vraag of overeenkomst tot stand is gekomen. Verweer ontbinding verworpen omdat tekortkoming ontbreekt.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
handelskamer
locatie Lelystad
zaaknummer / rolnummer: C/16/524923 / KL ZA 21-183 A/45353
Vonnis in kort geding van 19 augustus 2021
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
eiseres,
advocaat mr. N.R.T. Vellinga en mr. P.G.M. Brouwer te Amsterdam,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde,
advocaat mr. J. van Mens te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding, met producties 1 tot en met 14, van 16 juli 2021;
- de akte van [eiseres] met aanvullende producties 15 tot en met 19;
- de akte van [gedaagde] met producties 1 tot en met 11; -
de akte van [eiseres] met aanvullende producties 20 tot en met 23.
1.2. De mondelinge behandeling van deze zaak is gehouden op 12 augustus 2021. Op deze behandeling zijn namens [eiseres] verschenen [A] en [B] , respectievelijk algemeen en technisch directeur bij [eiseres] , bijgestaan door mrs. Vellinga en Brouwer. Namens [gedaagde] is verschenen [C] , directeur bij [gedaagde] , bijgestaan door mr. Van Mens. Partijen hebben het woord gevoerd, mede aan de hand van pleitaantekeningen. Deze zijn aan het dossier toegevoegd. Van de mondelinge behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
[eiseres] richt zich op het verduurzamen van elektrisch rijden. LeasePlan Nederland N.V. (hierna: LeasePlan) is een klant van [eiseres] . [eiseres] heeft voor LeasePlan een platform voor ‘slim laden’ ontwikkeld, hetgeen wordt aangeboden in combinatie met de plaatsing en het beheer van laadpunten voor elektrische voertuigen.
[gedaagde] levert diensten voor het laden van elektrische voertuigen. Zij levert onder meer ‘fulfilment diensten’, die zien op het afhandelen en verwerken van aanvragen voor de plaatsing van laadpunten, en ‘Charge Point Operator (CPO) diensten’, die zien op het beheren van laadpunten.
In de loop van 2020 hebben [eiseres] en [gedaagde] met elkaar gesproken over een mogelijke samenwerking. In dit kader heeft [gedaagde] bij e-mail van 16 december 2020 een door haar opgesteld document getiteld ‘Samenwerkingsovereenkomst’ aan [eiseres] gestuurd.
Bij e-mail van 24 december 2020 heeft [eiseres] voornoemd document inclusief door haar doorgevoerde aanpassingen aan [gedaagde] teruggestuurd.
Bij e-mail van 5 januari 2021 heeft [gedaagde] aan [eiseres] geschreven akkoord te gaan met de aanpassingen van [eiseres] .
In voornoemd document, versie 5 januari 2021, is onder meer het volgende opgenomen:
‘ 2 Doel van de overeenkomst
[eiseres] wil laadpunten, fulfilment en CPO dienstverlening aanbieden aan
LeasePlan en andere klanten.
[gedaagde] verzorgt de uitvoering van de CPO dienstverlening en het fulfilment proces voor LeasePlan e.a.
In deze overeenkomst zijn de afspraken vastgelegd die betrekking hebben op deze samenwerking.
[gedaagde] en [eiseres] zien in deze samenwerking het startpunt voor het gezamenlijk ontwikkelen van een onderscheidende en vernieuwende propositie op het vlak van laden en energie, waar partijen gezamenlijk zich kunnen onderscheiden van de huidige spelers in ons domein. We leggen de afspraken voor deze gezamenlijke ontwikkeling vast gedurende de maand februari 2021. Die afspraken zullen onlosmakelijk verbonden zijn met deze overeenkomst (dit document).
3 Samenwerkingsvorm
(…)
In opdracht van [eiseres] verleent [gedaagde] de services zoals beschreven in 2.1 aan klanten van [eiseres] .
(…)
Voor de uitvoering van installatie en onderhoudswerkzaamheden aan laadpunten, schakelt [gedaagde] onderaannemers (installatiebedrijven) in.
(…)
5 Prijsafspraken en betaling
5.1 De afspraken over prijzen en/of verdeling van inkomsten tussen [eiseres] en [gedaagde]
zijn vastgelegd in de bijlage van deze overeenkomst.
(…)
De termijn voor betalingen van [eiseres] aan [gedaagde] betreft 15 dagen na ontvangst door [eiseres] van een betalingsverzoek of factuur.
(…)
10 Looptijd van de overeenkomst
De samenwerking wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.
De samenwerking kan door beide partijen opgezegd worden, met een opzegtermijn van 6 maanden.’
Voornoemd document is niet door partijen ondertekend. De in artikel 5.1 bedoelde bijlage met prijsafspraken is niet bij het document gevoegd.
Vanaf januari 2021 heeft [gedaagde] op verzoek van [eiseres] aan LeasePlan en in ieder geval één andere klant van [eiseres] fulfilment- en CPO-diensten geleverd.
Vanaf maart 2021 hebben [eiseres] en [gedaagde] gesprekken gevoerd over een mogelijke nauwere samenwerking. Concrete afspraken daarover zijn door partijen niet schriftelijk vastgelegd.
Bij e-mail van 25 april 2021 stuurt [eiseres] een document aan [gedaagde] met daarin een door [eiseres] opgestelde verkenning van de mogelijkheid voor partijen om samen verder te gaan. Het document gaat uit van een mogelijke overname door [eiseres] van [gedaagde] .
Bij e-mail van 27 april 2021 schrijft [gedaagde] onder meer het volgende aan [eiseres] :
‘Wij hebben het afgelopen jaar veel geïnvesteerd in de samenwerking ter ondersteuning van LeasePlan. Jullie hebben vorige week aangegeven dat jullie hoe dan ook het werk dat wij nu doen in eigen beheer willen uitvoeren. Dit is voor ons nogal een schok. Hiermee is het duidelijk dat de voortzetting van het partnership in de huidige vorm geen lange termijn oplossing meer is. Jullie hebben aangegeven dat de enige mogelijke vorm van samenwerking op de lange termijn een overname is.’
Bij e-mail van 10 mei 2021 schrijft [gedaagde] onder meer het volgende aan [eiseres] :
‘De eenmalige opbrengsten van een nieuw laadpunt liggen tussen circa 415 en 490. Op de korte termijn stellen we voor dat we niet ingewikkeld doen en het vooraf genoemde minimum (€ 200) voor de fullfillment werkzaamheden fixed doorbelasten. De overige opbrengsten van de buckets zijn dan voor jullie. De CPO-opbrengsten kun je hier niet in meetellen. Deze zijn slechts kostendekkend en zijn per maand zonder lange termijn garanties, derhalve is de fee voor de fullfillment voor ons een belangrijke component.’
Bij e-mail van 19 mei 2021 schrijft [eiseres] onder meer het volgende aan [gedaagde] :
‘Wij zijn akkoord met de vaste marge van EUR 200 per laadpunt zoals door jou is voorgesteld. Daarmee ligt het installatierisico bij ons en gaan we er vanuit dat jullie je uiterste best doen om ons te helpen de kosten zo laag mogelijk te houden.’
Op 16 juni 2021 heeft [eiseres] een presentatie gegeven aan [gedaagde] . In het daartoe opgestelde document doet [eiseres] onder meer het voorstel om op termijn de CPO-dienstverlening van [gedaagde] over te nemen.
Bij e-mail van 20 juni 2021 schrijft [gedaagde] onder meer het volgende aan [eiseres] :
‘Mede op basis van het gesprek in week 23 en het door ons op donderdag 17 juni 2021 ontvangen voorstel, zijn we tot de conclusie gekomen dat we ons vertrouwen in het partnership zijn verloren en dat dit ook niet meer hersteld kan worden.
(…)
In afwijking van het oorspronkelijke gezamenlijke plan, hebben jullie echter zelfstandig besloten om op termijn een (groot) deel van de services die [gedaagde] momenteel verzorgt, zelfstandig op te gaan bouwen en in te zetten voor LeasePlan Nederland. Jullie plan komt, zo gaven jullie aan, voort uit de behoefte om zelfstandig marktwaarde op te bouwen. (…)
In jullie nieuwe plannen zien wij onvoldoende perspectief voor [gedaagde] om verdere financiële- en tijdsinvesteringen van onze kant te rechtvaardigen. Wij hebben dan ook geen andere keuze dan onze samenwerking, die overigens niet contractueel is vastgelegd, langs deze weg op te zeggen, hetgeen betekent dat wij per 1 juli 2021 geen nieuwe aanvragen meer in behandeling zullen nemen.’
Bij e-mail van 21 juni 2021 heeft [eiseres] gereageerd met de stelling dat er tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen, dat er een opzegtermijn van zes maanden geldt en dat [gedaagde] gehouden is haar diensten tot en met december 2021 te blijven leveren.
Bij e-mail van 21 juni 2021 heeft [gedaagde] onder meer met het volgende gereageerd:
‘Zoals wij vanmiddag al hebben aangegeven, zijn wij van mening dat er geen overeenkomst tot stand is gekomen. De overeenkomst is in ieder geval nooit getekend, hetgeen toch op zijn minst een teken is dat er (nog) geen sprake is van (wils)overeenstemming. Over een belangrijk, zo niet het belangrijkste, punt van de samenwerking (de toepasselijke prijzen) waren we het op dat moment hoe dan ook niet eens. Maar zelf als er toch daadwerkelijk een overeenkomst zou bestaan, hebben jullie inmiddels meerdere keren luid en duidelijk aangegeven dat jullie je eigen deel van de overeenkomst niet na zullen leven: het deel van de dienstverlening dat wij onder de samenwerkingsovereenkomst zouden vervullen, willen jullie zelf vervullen. In jullie presentatie van vorige week wordt dat nogmaals bevestigd. In dit soort gevallen stelt diezelfde Nederlandse wet dat er sprake is van verzuim, zonder dat daarvoor een ingebrekestelling is vereist (art. 6:83 lid 3 BW, mocht je het willen nalezen). Voor zover er dus sprake zou zijn van een overeenkomst, zien wij ons dus genoodzaakt die bij deze te ontbinden.
Wij hadden andere verwachtingen bij deze samenwerking, maar ons vertrouwen in de samenwerking is helaas echt verdwenen. Jullie lijken ons te hebben gebruikt in de opstartfase bij Leaseplan Nederland, maar willen nu langzaamaan onze diensten (CPO, fulfillment) zelf gaan invullen. Zo werkt een samenwerking wat ons betreft niet.’
[gedaagde] heeft [eiseres] toegezegd de fulfilment- en CPO-diensten tot 1 september 2021 te blijven verlenen.
3 Het geschil
[eiseres] vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te gebieden de Overeenkomst na te komen tot en met 31 december 2021, onder meer door op verzoek van [eiseres] de plaatsing en de fulfilment en CPO diensten van laadpunten te blijven verlenen aan LeasePlan en andere klanten, op straffe van een dwangsom en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten inclusief nakosten en te vermeerderen met de wettelijke rente.
Ter onderbouwing van die vordering stelt [eiseres] – samengevat – dat er tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen die ziet op het op verzoek van [eiseres] door [gedaagde] aan LeasePlan en andere klanten van [eiseres] leveren van fulfilment- en CPO-diensten op het gebied van laadpunten voor elektrische voertuigen. [gedaagde] heeft aangegeven per 1 september 2021 te stoppen met deze dienstverlening. Dit heeft voor [eiseres] ernstige (financiële) gevolgen. [eiseres] is niet in staat om de dienstverlening op korte termijn ergens anders af te nemen of zelf te ontwikkelen. Dit zal ertoe leiden dat [eiseres] haar grootste klant, LeasePlan, verliest. Dit zal resulteren in grote omzetschade en mogelijk het faillissement van [eiseres] . [eiseres] vordert daarom nakoming van de overeenkomst.
[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de voorzieningenrechter deze zal afwijzen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.
[gedaagde] baseert haar verweer – kort weergegeven – op het volgende. Primair voert zij aan dat er tussen partijen op 5 januari 2021 geen perfecte overeenkomst tot stand is gekomen. Indien dit wel het geval is, stelt zij zich subsidiair op het standpunt dat zij deze overeenkomst op 21 juni 2021 heeft ontbonden. [gedaagde] maakt daarnaast bezwaar tegen de gevorderde dwangsommen. Ten slotte stelt zij dat de belangenafweging in dit kort geding in haar voordeel dient uit te vallen en de vordering daarom afgewezen dient te worden.
4 De beoordeling
Spoedeisend belang
De eerste vraag die de voorzieningenrechter moet beantwoorden, is of [eiseres] een voldoende spoedeisend belang heeft bij haar vordering in dit kort geding.
[gedaagde] heeft aangegeven per 1 september 2021 te stoppen met het leveren van fulfilment- en CPO-dienstverlening aan LeasePlan. [eiseres] heeft gesteld niet in staat te zijn deze diensten op een dergelijke korte termijn elders af te nemen of zelf te ontwikkelen. Dit zal er volgens [eiseres] toe leiden dat zij haar grootste klant verliest, hetgeen ernstige financiële gevolgen voor [eiseres] heeft en haar continuïteit bedreigt. Daarmee is het spoedeisend belang van [eiseres] bij haar vordering tot nakoming van de gestelde overeenkomst gegeven.
Totstandkoming overeenkomst
Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of er tussen hen een overeenkomst tot stand is gekomen die ziet op het op verzoek van [eiseres] door [gedaagde] aan LeasePlan en andere klanten van [eiseres] leveren van fulfilment en CPO diensten op het gebied van laadpunten voor elektrische voertuigen. Aan partijen is genoegzaam bekend wat er, naast de omschrijving in overweging 2.2. van dit vonnis, zoal verder onder deze dienstverlening wordt verstaan en hoe daaraan door hen uitvoering is gegeven. De voorzieningenrechter zal deze diensten in het vervolg aanduiden als fulfilment- en CPO-diensten.
In het kader van dit kort geding moet worden beoordeeld of de vordering van [eiseres] tot nakoming van de door haar gestelde overeenkomst in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat een overeenkomst tot stand komt door een aanbod en aanvaarding daarvan. Volgens vaste rechtspraak is het antwoord op de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen, afhankelijk van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten afleiden. Aanbod en aanvaarding hoeven niet uitdrukkelijk plaats te vinden; zij kunnen in elke vorm geschieden en kunnen besloten liggen in een of meer gedragingen. Mede van belang is de wijze waarop partijen feitelijk hebben gehandeld en uitvoering hebben gegeven aan eventuele, al dan niet uitdrukkelijk gemaakte afspraken. Het voorgaande betekent dat voor de totstandkoming van een overeenkomst niet vereist is dat deze op schrift is gesteld en/of door partijen is ondertekend.
Vaststaat dat [gedaagde] in december 2020 de beoogde samenwerking met [eiseres] in een conceptsamenwerkingsovereenkomst heeft vervat, dat zij dit concept met [eiseres] heeft gedeeld, dat [eiseres] daarop aanvullingen heeft gemaakt en dat [gedaagde] daarmee op 5 januari 2021 heeft ingestemd. Vervolgens hebben partijen uitvoering gegeven aan de in dit document beschreven verplichtingen. [gedaagde] heeft vanaf januari 2021 tot op heden aan LeasePlan en in ieder geval één andere klant van [eiseres] fulfilment- en CPO-diensten verleend. [gedaagde] heeft alle binnenkomende aanvragen voor de plaatsing van laadpunten – volgens [gedaagde] gemiddeld dertig per week – aanvaard en uitgevoerd. Partijen zijn daarover niet afzonderlijk, per aanvraag, in onderhandeling getreden. Hoewel de beoogde bijlage met prijsafspraken niet bij de (concept)samenwerkingsovereenkomst is gevoegd en er over de prijzen tussen partijen aanvankelijk geen overeenstemming bestond, is tussen hen niet in geschil dat zij in mei 2021 wél overeenstemming hebben bereikt over de prijzen. Ten aanzien van de fulfilment-diensten is een vaste marge voor [gedaagde] van € 200,00 per geplaatst laadpunt overeengekomen. Ten aanzien van de CPO-diensten heeft [gedaagde] in haar e-mail van 10 mei 2021 geschreven dat deze diensten kostendekkend worden doorbelast, zodat de voorzieningenrechter ervan uitgaat dat ook hierover overeenstemming bestaat. [gedaagde] is vervolgens met terugwerkende kracht tot en met januari 2021 conform deze prijsafspraken voor haar diensten betaald.
Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat aannemelijk is dat de bodemrechter tot de conclusie zal komen dat er tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen, welke voor [gedaagde] de verplichting bevat om op verzoek van [eiseres] fulfilment- en CPO-diensten aan LeasePlan en andere klanten van [eiseres] te leveren, en voor [eiseres] de verplichting om de daarvoor overeengekomen prijs te betalen. Dat de definitieve prijsafspraak op een later moment tot stand is gekomen, terwijl de dienstverlening al plaatsvond, doet aan het bestaan van de overeenkomst niet af. Deze overeenkomst dient gekwalificeerd te worden als overeenkomst van opdracht als bedoeld in artikel 7:400 BW. [gedaagde] kan de overeengekomen dienstverlening niet zomaar stopzetten en heeft dit – ondanks haar beroep op ontbinding – tot op heden ook niet gedaan.
Ten aanzien van de totstandkoming van de overeenkomst heeft [gedaagde] nog aangevoerd dat zij onvoldoende comfort van [eiseres] heeft gekregen over de samenwerking op de langere termijn, waarbinnen [gedaagde] haar investeringen moest terugverdienen. Dit kan echter niet tot de conclusie leiden dat er geen overeenkomst tot stand is gekomen. Kennelijk was deze wens van [gedaagde] voor partijen van ondergeschikte betekenis, nu zij over de essentialia van de overeenkomst inmiddels overeenstemming hadden bereikt en daaraan uitvoering hebben gegeven. Bovendien is deze wens van [gedaagde] niet verdisconteerd in de door haar opgestelde samenwerkingsovereenkomst, nu deze aan beide partijen een opzegbevoegheid toekent met een opzegtermijn van zes maanden. Het verweer van [gedaagde] dat [eiseres] geen uitvoering geeft aan de overeenkomst omdat zij de facturen niet binnen de overeengekomen betalingstermijn voldoet, passeert de voorzieningenrechter omdat dit niet relevant is voor de vraag of er een overeenkomst tot stand is gekomen.
Ontbinding
[gedaagde] heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat zij de overeenkomst bij e-mail van 21 juni 2021 heeft ontbonden. Volgens [gedaagde] was het de intentie van partijen om een duurzame, complementaire samenwerking voor een aantal jaren aan te gaan, zonder dat er sprake was van onderlinge concurrentie. Tijdens een bespreking op 13 april 2020 [naar de voorzieningenrechter begrijpt: 2021] zou [eiseres] hebben medegedeeld dat zij hoe dan ook de diensten voor het beheren van laadpunten in eigen beheer gaat doen. [eiseres] heeft daarmee aangekondigd de concurrentie met [gedaagde] aan te gaan. Dit levert volgens [gedaagde] een tekortkoming op in de nakoming van de overeenkomst.
De voorzieningenrechter volgt [gedaagde] niet in haar verweer. Nog afgezien van het feit dat [eiseres] heeft betwist de door [gedaagde] aangehaalde uitspraken op 13 april 2021 te hebben gedaan, kunnen dergelijke uitlatingen over toekomstige concurrentie niet worden beschouwd als een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. In artikel 2.4 van de samenwerkingsovereenkomst is immers slechts een intentie opgenomen om op het gebied van laden en energie samen te gaan werken. Daarover zijn geen harde afspraken opgenomen. Bovendien voorziet de samenwerkingsovereenkomst in een beëindiging van de samenwerking op een termijn van zes maanden, hetgeen voor [gedaagde] kennelijk acceptabel was. Ook is er geen non-concurrentiebeding opgenomen. Indien het voor [gedaagde] , mede gelet op de door haar gedane investeringen, van essentieel belang was om een langdurige samenwerking met [eiseres] aan te gaan zonder dat partijen elkaar (na afloop daarvan) gaan beconcurreren, dan had het op haar weg gelegen om daarover duidelijke afspraken te maken en deze vast te leggen. De enkele verwijzing naar een PowerPointpresentatie van [eiseres] van 30 juni 2020, waarin is opgenomen dat partijen niet snel concurrenten van elkaar zullen worden, is daarvoor onvoldoende.
Voor zover [gedaagde] aan de gestelde ontbinding mede ten grondslag heeft bedoeld te leggen de stelling dat [eiseres] in haar presentatie van 16 juni 2021 heeft aangekondigd zelf bepaalde werkzaamheden uit te gaan voeren, dan levert dit ook geen grondslag voor ontbinding op. In deze presentatie heeft zij immers slechts een voorstel gedaan om de CPO-dienstverlening naar [eiseres] over te hevelen. Hierin is geen tekortkoming van [eiseres] gelegen. Het stond [gedaagde] vrij dit voorstel naast zich neer te leggen en de samenwerking conform de bestaande afspraken voort te zetten en haar diensten aan [eiseres] te blijven leveren, hetgeen partijen ook hebben gedaan.
De voorzieningenrechter passeert ten slotte de stelling van [gedaagde] dat [eiseres] is tekortgeschoten in de nakoming door de facturen van [gedaagde] niet tijdig te betalen. Wat hier verder ook van zij, [gedaagde] heeft niet gesteld dat [eiseres] ten aanzien van deze betalingen in verzuim is geraakt, zodat op grond van artikel 6:265 lid 2 BW er geen sprake kan zijn van een rechtsgeldige ontbinding.
De conclusie is dat de voorzieningenrechter voorshands van oordeel is dat de overeenkomst niet rechtsgeldig is ontbonden. [gedaagde] heeft zich niet op het standpunt gesteld dat de overeenkomst is opgezegd. [eiseres] kan daarom in beginsel nakoming van de overeenkomst vorderen.
Belangenafweging
De voorzieningenrechter moet ten slotte beoordelen of het belang van [eiseres] , dat is gelegen in de nakoming van de overeenkomst door [gedaagde] , opweegt tegen het belang van [gedaagde] om deze dienstverlening per 1 september 2021 te staken.
De financiële belangen en risico’s van [eiseres] zijn groot. Zij heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij niet in staat is om de diensten die door [gedaagde] worden geboden op korte termijn – vóór 1 september 2021 – elders af te nemen of zelf te ontwikkelen en dat zij bij een beëindiging van de samenwerking per 1 september 2021 het risico loopt haar grootste klant LeasePlan te verliezen. [gedaagde] krijgt bij een voortzetting van de dienstverlening conform de gemaakte afspraken voor haar diensten betaald. In zoverre weegt het belang van [eiseres] op tegen het belang van [gedaagde] . Dat de dienstverlening aan [eiseres] een groot beslag legt op haar organisatie en er hierdoor minder tijd is voor het aantrekken van nieuwe klanten, is inherent aan de overeengekomen samenwerking met [eiseres] en maakt niet dat de belangenafweging anders uitvalt. Het ligt op de weg van [gedaagde] om haar organisatie op die samenwerking in te richten en om bij eventuele capaciteitsproblemen met [eiseres] in overleg te treden. De stelling van [gedaagde] dat zij een concurrent in het zadel helpt door de samenwerking met [eiseres] voort te zetten en dat de continuïteit van haar onderneming daardoor in gevaar komt, heeft zij onvoldoende onderbouwd. Bovendien kan deze stelling in het kader van de belangenafweging geen rol spelen nu hiervoor reeds is geoordeeld dat er tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen, dat [eiseres] daarin niet is tekortgeschoten door de (betwiste) aankondiging op termijn de concurrentie met [gedaagde] aan te gaan en dat [eiseres] van die overeenkomst nakoming kan vorderen.
Het voorgaande betekent dat de voorzieningenrechter de vordering tot nakoming van de overeenkomst zal toewijzen.
Overige vorderingen
[eiseres] heeft erkend dat de overeenkomst op dit moment naar behoren wordt nagekomen. Zowel de directeur als de advocaat van [gedaagde] hebben tijdens de mondeling behandeling toegezegd een eventuele veroordeling na te zullen komen. De voorzieningenrechter heeft daarom onvoldoende aanleiding te veronderstellen dat [gedaagde] de veroordelingen uit dit vonnis niet zal nakomen. De enkele stelling van [eiseres] dat [gedaagde] emotioneel kan reageren, is daarvoor onvoldoende. De gevorderde dwangsommen worden daarom afgewezen.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:
- dagvaarding € 98,52
- griffierecht € 667,00
- salaris advocaat € 1.016,00
Totaal € 1.781,52
De nakosten zullen op de hieronder weergeven wijze worden begroot.
De wettelijke rente over de (na)kosten zal worden toegewezen als hierna vermeld.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter:
gebiedt [gedaagde] om de bestaande fulfilment- en CPO-dienstverlening op het gebied van laadpunten voor elektrische voertuigen, welke diensten zij op verzoek van [eiseres] aan LeasePlan en andere klanten van [eiseres] verleent, onder dezelfde voorwaarden en tegen de in mei 2021 overeengekomen prijs voort te zetten tot en met 31 december 2021;
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.781,52, waarin begrepen € 1.016,00 aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 131,00 aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
- te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening tot de voldoening;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.M. Staal en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2021.