Materieel strafrecht
Ontneming na veroordeling voor inbraken.
Rechtbank Midden-Nederland, 30 november 2015
ECLI:NL:RBMNE:2015:8700 · Rechtbank Midden-Nederland · 30 november 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/strafrecht/materieel-strafrecht/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbmne-2015-8700
Zaakgegevens
Op 30 november 2015 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 30 november 2015
- Datum publicatie
- 4 december 2015
- Zaaknummer
- 16/661658-14 (ontneming)
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Materieel strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2015:8700
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Ontneming na veroordeling voor inbraken.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN NEDERLAND
Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Utrecht
Parketnummer: 16/661658-14 (ontneming) (P)
Beslissing van de rechtbank d.d. 30 november 2015
in de ontnemingszaak tegen
[veroordeelde] ,
geboren op [1967] te [geboorteplaats] ,
wonende [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
hierna te noemen: [veroordeelde] .
1 Deprocedure
De procedure blijkt onder meer uit het volgende:
-
de vordering, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;
-
het strafdossier onder parketnummer 16/661658-14, waaruit blijkt dat [veroordeelde] bij vonnis van 30 november 2015 van deze rechtbank is veroordeeld voor – kort gezegd – het in vereniging plegen van meerdere (pogingen) diefstal met braak;
-
de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting d.d. 16 november 2015;
-
de overige stukken.
Tijdens het onderzoek ter terechtzitting zijn gehoord: de officier van justitie, [veroordeelde] en zijn raadsman, mr. J.G.M. Dassen, advocaat te Utrecht.
2 De beoordeling
De vordering van de officier van justitie
De schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot het aan [veroordeelde] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van € 12.859,35.
Ter terechtzitting van 16 november 2015 heeft de officier van justitie de vordering gewijzigd in dier voege dat zij het geschatte voordeel thans stelt op € 12.191,60. De officier van justitie heeft op het oorspronkelijke bedrag van € 12.859,35 een bedrag van € 667,75 in mindering gebracht, zijnde het geschatte wederrechtelijk voordeel van feit 9. De officier van justitie heeft voor dit feit vrijspraak bepleit. Voorts heeft de officier van justitie ter terechtzitting gevorderd een eventueel ter zake van het in de hoofdzaak onder 4 ten laste gelegde feit (inbraak Hoogvliet Woudenberg op 8 mei 2014) aan de benadeelde partij Hoogvliet toe te kennen schadevergoeding in mindering te brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft opgemerkt dat de rechtbank, gelet op de bepleite vrijspraak voor de betreffende feiten, niet toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van de ontnemingsvordering.
Het oordeel van de rechtbank
Bij vonnis van 30 november 2015 heeft de rechtbank onder meer bewezen verklaard dat [veroordeelde] – kort gezegd – in vereniging meerdere (pogingen) diefstal met braak heeft gepleegd.
De rechtbank ontleent aan de inhoud van de in de strafzaak genoemde bewijsmiddelen het oordeel dat [veroordeelde] door het plegen van voornoemde diefstallen een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft verkregen.
De rechtbank komt op basis van de volgende bewijsmiddelen tot een berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel:
Feit 4
Uit de aangifte van [benadeelde 1] , namens Hoogvliet, blijkt dat er op 8 mei 2014 voor € 2.000,- aan sigaretten is weggenomen.
Feit 5
Uit de aangifte van [benadeelde 2] , namens Albert Heijn, en de bijbehorende bijlagen blijkt dat er op 29 april 2014 voor € 3.052,45 aan sigaretten is weggenomen.
Feit 6
Uit de aangifte van [benadeelde 3] , namens Albert Heijn, en de bijbehorende bijlagen blijkt dat er op 26 april 2014 voor € 3.766,70 aan sigaretten is weggenomen.
Feit 8
Uit de aangifte van [benadeelde 3] , namens Albert Heijn, en de bijbehorende bijlagen blijkt dat er op 12 mei 2014 voor € 3.231,45 aan sigaretten is weggenomen.
Bij de onder 4, 5, 6 en 8 bewezen verklaarde feiten zijn door [veroordeelde] telkens aanzienlijke hoeveelheden rookwaren buitgemaakt. De rechtbank gaat op basis van de verschillende aangiftes uit van de navolgende verkoopwaarden:
-
feit 4: € 2.000,--;
-
feit 5: € 3.052,45;
-
feit 6: € 3.766,70;
-
feit 8: € 3.231,45;
Totaal: € 12.050,60.
De rechtbank schat het wederrechtelijk verkregen voordeel op 50% van deze verkoopwaarden. Zij acht aannemelijk dat een dergelijke hoeveelheid rookwaren bestemd is voor de verkoop en dat deze verkoop in het illegale circuit ten minste dit percentage opbrengt.
De totale geschatte opbrengst komt derhalve uit op een bedrag van € 6.025,30.
[veroordeelde] is door de rechtbank voor de feiten 4, 5 en 8 veroordeeld voor het medeplegen van diefstal. Naast [veroordeelde] is voor zover thans bekend nog één ander betrokken geweest bij deze inbraken. Hoewel [veroordeelde] bij feit 6 niet is veroordeeld voor het medeplegen van de inbraak, blijkt wel uit de stukken dat de diefstal met één ander gepleegd is. De rechtbank zal de totale netto opbrengst daarom ponds-ponds verdelen over twee personen.
Op basis van de hiervoor weergegeven berekening schat de rechtbank het door [veroordeelde] verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel op € 3.012,65.
Voor het in mindering brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel van de ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde toegekende schadevergoeding aan benadeelde partij Hoogvliet BV en de daarmee samenhangende schadevergoedingsmaatregel ziet de rechtbank – anders dan de officier van justitie – gelet op het bepaalde in art. 36e, negende lid, Wetboek van Strafrecht geen aanleiding.
Er zijn door of namens [veroordeelde] verder geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan de rechtbank de betalingsverplichting zou moeten matigen.
3 De beslissing
De rechtbank stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 3.012,65.
De rechtbank legt aan [veroordeelde] de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 3.012,65 ter ontneming van het door hem genoten wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P. Glerum, voorzitter, mrs. E.A.A. van Kalveen en R.G.A. Beaujean, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.M. van de Kamp, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 november 2015.
Mr. Beaujean is buiten staat dit vonnis mee te ondertekenen.