Materieel strafrecht
Ontneming van opbrengst overvallen; vordering ontneming toewijzen, 36e
Rechtbank Midden-Nederland, 6 februari 2019
ECLI:NL:RBMNE:2019:1288 · Rechtbank Midden-Nederland · 6 februari 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/strafrecht/materieel-strafrecht/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbmne-2019-1288
Zaakgegevens
Op 6 februari 2019 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Lelystad
- Datum uitspraak
- 6 februari 2019
- Datum publicatie
- 27 maart 2019
- Zaaknummer
- 705723-17
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Materieel strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2019:1288
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Ontneming van opbrengst overvallen; vordering ontneming toewijzen, 36e
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16/705723-17 (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 6 februari 2019
in de ontnemingszaak tegen
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] (Zuid-Afrika),
wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
hierna te noemen: [veroordeelde] .
De behandeling van de vordering heeft plaatsgevonden op de met gesloten deuren gehouden terechtzitting van 23 januari 2019, waarbij zijn gehoord:
-
mr. T. Tanghe, officier van justitie,
-
mr. J.A. Neslo, advocaat te Almere, raadsvrouw van [veroordeelde] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken van het voorbereidend onderzoek, te weten:
-
de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van 19 december 2018;
-
het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 25 juli 2018, opgemaakt door [brigadier 1] , brigadier, medewerker […] van de Eenheid Midden-Nederland;
-
het vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 1 augustus 2017 in de onderliggende strafzaak met parketnummer 16/705723-17;
-
de stukken behorende tot het dossier in de strafzaak met parketnummer 16/705723-17.
OVERWEGINGEN
Bij vonnis van deze rechtbank van 1 augustus 2017 is [veroordeelde] in de onderliggende strafzaak veroordeeld ter zake:
feit 1:
afpersing;
feit 2:
diefstal, voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken
en
afpersing;
feit 3:
diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren
en
afpersing.
De officier van justitie heeft bij vordering van 19 december 2018 gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat, welk voordeel wordt geschat op
€ 1.044,--. Ter terechtzitting van 23 januari 2019 heeft de officier van justitie voornoemd bedrag aangepast en gevorderd dat het voordeel wordt geschat op € 1.014,-- en voorts dat de rechtbank aan [veroordeelde] de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van dit voordeel.
[veroordeelde] heeft erkend uit de feiten waarvoor hij bij het even vermelde vonnis is veroordeeld wederrechtelijk voordeel te hebben genoten en hij heeft zich bereid verklaard dat voordeel terug te betalen. De raadsvrouw heeft verzocht het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen op € 1.014,-- en heeft aangegeven dat verdachte bereid is dit te betalen. Zij heeft zich vervolgens gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de hoogte van het bedrag waartoe verdachte zal worden verplicht de Staat te betalen.
Dat [veroordeelde] op 7 februari 2017 te [plaatsnaam 1] , 3 maart 2017 te [plaatsnaam 2] en 10 maart 2017 te [plaatsnaam 3] verschillende overvallen heeft gepleegd, blijkt uit de in het vonnis van 1 augustus 2017 opgenomen bewezenverklaring van deze feiten en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen. Gelet op de inhoud van het vonnis en hetgeen ter terechtzitting van
23 januari 2019 naar voren is gebracht, is voldoende aannemelijk geworden dat [veroordeelde] wederrechtelijk voordeel heeft genoten door middel van en/of uit de baten van de overvallen ter zake waarvan hij bij voornoemd vonnis is veroordeeld.
[veroordeelde] heeft ter terechtzitting verklaard dat de opbrengsten van de laatste twee overvallen respectievelijk bedroegen € 465,-- en € 150,--. Ten aanzien van de opbrengst van de eerste overval heeft [veroordeelde] op 22 mei 2017 bij de politie verklaard dat deze € 629,35 betrof. Aangeefster [aangeefster] heeft blijkens het van de door haar gedane aangifte opgemaakte proces-verbaal verklaard dat € 629,-- is weggenomen.
[veroordeelde] heeft bij de politie verklaard dat hij naast geld ook rond de 100 pakjes sigaretten heeft weggenomen, welke hij vervolgens voor € 4,-- per pakje heeft verkocht.
De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van verdachte en gaat daarom bij haar schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van deze verklaring.
Gelet op het hiervoor overwogene stelt de rechtbank het bedrag waarop het door [veroordeelde] wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, als volgt vast:
Opbrengst eerste overval: € 629,35
Opbrengst tweede overval: € 465,--
Opbrengst derde overval: € 150,--
100 pakjes sigaretten à € 4,--: € 400,--
Totale opbrengst: € 1.644,35
De rechtbank zal van dit bedrag het bij vonnis van 1 augustus 2017 aan de benadeelde partij [naam onderneming] toegewezen bedrag van € 630,-- ter vergoeding van materiële schade, aftrekken.
De rechtbank stelt aldus het bedrag waarop het door [veroordeelde] wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 1.014,35.
De rechtbank zal aan [veroordeelde] de verplichting opleggen om ter zake van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat een bedrag gelijk aan de vordering van de officier van justitie van € 1.014,-- te voldoen.
BESLISSING
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat, vast op
€ 1.014,35;
- legt aan [veroordeelde] de verplichting op om ter zake van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te voldoen een bedrag van € 1.014,--.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. Veldhuisen, voorzitter, mrs. N.V.M. Gehlen en
M. Ferschtman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.A.L. van Dreumel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 februari 2019.