Strafprocesrecht

De rechtbank is, zoals ook de officier van justitie en de verdediging hebben betoogd, van oordeel dat niet…

Rechtbank Midden-Nederland, 10 augustus 2023

Zaakgegevens

Op 10 augustus 2023 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
10 augustus 2023
Datum publicatie
17 oktober 2023
Zaaknummer
16/114336-23 (P)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2023:5452
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De rechtbank is, zoals ook de officier van justitie en de verdediging hebben betoogd, van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/114336-23 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 10 augustus 2023

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] (Albanië),

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te [locatie] ,

hierna: verdachte.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 augustus 2023.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. N. Schipper en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A.C.M. Tönis, advocaat te Breda, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er in het kort op neer dat verdachte:

op 3 mei 2023 in Maarssen samen met een ander 1001,5 gram cocaïne heeft vervoerd.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 VRIJSPRAAK

4.1

Het standpunt van de officier van justitie en van de verdediging

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde.

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde.

4.2

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is, zoals ook de officier van justitie en de verdediging hebben betoogd, van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken.

5 BESLAG

De rechtbank zal de in beslag genomen verdovende middelen onttrekken aan het verkeer. Deze middelen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang en zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar het feit waarvan verdachte wordt verdacht aangetroffen, en daarnaast kunnen de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke feiten. Deze beslissing is overeenkomstig de vordering van de officier van justitie. De verdediging heeft zich niet uitgelaten over het beslag.

6 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Beslag

- verklaart de verdovende middelen onttrokken aan het verkeer, te weten:

1 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL0900-2023129685-3157805).

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Blanke, voorzitter, mr. L.M.M. Heppe en mr. N.P.J. Janssens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van Buel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 augustus 2023.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 3 mei 2023 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht, althans in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

ongeveer 1001,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die

wet

( art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek

van Strafrecht )