Belastingrecht
Niet aannemelijk geworden dat bekendmaking van de informatiebeschikking op de voorgeschreven wijze heeft…
Rechtbank Noord-Holland, 21 juli 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:10925 · Rechtbank Noord-Holland · 21 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-holland/bestuursrecht/belastingrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbnho-2026-10925
Zaakgegevens
Op 21 juli 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-HollandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Datum uitspraak
- 21 juli 2026
- Datum publicatie
- 20 augustus 2026
- Zaaknummer
- AWB - 25 _ 2072
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2026:10925
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Niet aannemelijk geworden dat bekendmaking van de informatiebeschikking op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden. Vanwege ernstige gebreken in de loonadministratie is sprake van het niet doen van de vereiste aangifte. Dit leidt tot omkering en verzwaring van de bewijslast. De naheffingsaanslag en vergrijpboete blijven in stand.
Uitspraak
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/2072
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] C.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. A. Reddoub),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor [vestigingsplaats] , verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd voor een bedrag van € 23.809. Bij gelijktijdige beschikking is een vergrijpboete van € 5.952 opgelegd en voor een bedrag van € 4.118 aan belastingrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2026 te Haarlem.
Belanghebbende is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] , mr. [naam 2] en [naam 3] .
Overwegingen
Feiten
-
Belanghebbende houdt zich bezig met de exploitatie van een snackbar. Naast de verkoop van voedingsmiddelen verkoopt belanghebbende vouchers (voor telefoonkaarten).
-
Het vestigingsadres van belanghebbende is [adres 1] te [vestigingsplaats] . Tussen 30 juli 2021 en 30 juli 2024 had belanghebbende een verplicht toezendadres geregistreerd staan bij de Belastingdienst, namelijk [adres 2] te [vestigingsplaats] .
Boekenonderzoek en informatiebeschikking
3. Verweerder heeft op 23 september 2021 een boekenonderzoek aangekondigd naar de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen in de periode 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020. Op 21 oktober 2021 is een rappelbrief aankondiging boekenonderzoek verzonden.
4. Belanghebbende heeft bij e-mailbericht van 1 november 2021 jaarrekeningen van 2019 en 2020 en bankafschriften van deze jaren verstrekt. Tevens heeft belanghebbende per e-mailbericht op 2 november 2021 twee pdf-bestanden overgelegd met daarin (grootboek)gegevens uit de administratie.
5. In reactie op de verstrekte pdf-bestanden heeft verweerder op 16 november 2021 en 18 november 2021 per e-mail verzocht om de stukken als Excel-bestand aan te leveren. Belanghebbende heeft dezelfde dag per e-mailbericht medegedeeld informatie alleen in pdf-vorm te overleggen.
6. Op 14 juli 2022 heeft verweerder medegedeeld het onderzoek uit te breiden naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de periode 1 januari 2017 tot en met 31 december 2020 en de aangiften loonheffingen over de periode 1 januari 2017 tot en met 31 december 2020.
7. Verweerder deelt bij brief van 13 april 2023 aan belanghebbende mede dat zij een laatste gelegenheid krijgt om de gevraagde gegevens voor het boekenonderzoek te verstrekken. Verweerder kondigt aan een informatiebeschikking te geven indien de gevraagde gegevens niet worden verstrekt.
8. Met dagtekening 23 mei 2023 heeft verweerder een informatiebeschikking vastgesteld wegens het niet voldoen aan de inlichtingenplicht met schending van artikel 47 en 49 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) tot gevolg. De informatiebeschikking is geadresseerd aan het vestigingsadres van belanghebbende en er staat vermeld dat het stuk aangetekend wordt verstuurd. Tot de gedingstukken behoort een envelop met daarop een sticker retour afzender en een ontvangststempel met de datum
16 juni 2023.
9. Belanghebbende heeft op 6 juni 2023 per e-mail facturen en Excel-overzichten in de vorm van pdf-bestanden verstrekt met daarin gegevens over inkopen en verkopen.
10. Verweerder heeft bij e-mailbericht van 23 mei 2024 het concept controlerapport van het boekenonderzoek aan belanghebbende verzonden. Gelijktijdig is per aangetekende post het concept controlerapport verzonden. Deze aangetekende brief is retour gekomen. Belanghebbende heeft dezelfde dag per e-mail gereageerd op het conceptrapport.
11. Verweerder heeft op 11 juni 2024 het definitieve controlerapport verzonden. In het controlerapport staat – voor zover relevant – het volgende opgenomen:
“2.3.3 Administratieplicht
(…)
Tijdens het boekenonderzoek is gebleken dat de C.V. niet aan zijn administratieve verplichtingen van artikel 52 AWR heeft voldaan. De volgende gebreken zijn vastgesteld in de controleperiode:
de administratie wordt niet naar de eisen van het bedrijf ingericht en gevoerd. Belastingplichtige levert een groot aantal bescheiden niet aan, waaronder kassarollen (X-afslag en Z-afslag) en kasstaten.
(…)
Bewaarplicht
Er wordt niet voldaan aan de bewaarplicht overeenkomstig artikel 52 Algemene wet inzake
rijksbelastingen, omdat de volgende opgevraagde gegevens over de controleperiode ondanks
meerdere verzoeken niet zijn aangeleverd:
- resultaatoverzichten van de CV over de controleperiode
- overzicht wie verantwoording moet afleggen aan wie in de controleperiode
- de aansluiting tussen de commerciële en fiscale jaarstukken
- de accountantsrapporten
- de managementletters
- de debiteuren-, crediteuren- en voorraadlijsten, afschrijvingsstaten, pensioenbrieven, leasecontracten en dergelijke
- bankbescheiden privé
- salarisstroken van de personeelsleden
- kopie ID bewijzen van de personeelsleden
- arbeidsovereenkomsten
- verklaring toepassen loonheffingskorting
- procedure aanname personeel
- personeelsreglement
- aansluitingsoverzichten tussen de financiële administratie en de verzamelloonstaten
- de loonstaten van het personeel
- de financiële en salaris auditfile over de jaren 2018, 2019 en 2020
- loonjournaalpost per jaar
- rondrekening omzetbelasting
- overzicht onbelaste verkopen
- kasstaten en kassarollen (X-afslagen en Z-afslagen)
- prijslijsten
- verkoopfacturen [horeca-bestelsite] vanaf week 22 2020
- alle inkoopfacturen over de jaren 2018, 2019 en 2020.
(…)
Administratieve organisatie en interne beheersing
Er heeft geen controle ter plaatse plaatsgevonden. Belastingplichtige is meerdere malen verzocht om gegevens en bestanden aan te leveren. Hier heeft hij gedeeltelijk aan voldaan en alleen in PDF formaat. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de IT beheersmaatregelen in opzet niet voldoende zijn of zelfs niet hebben bestaan. De aangiften over de controleperiode zijn derhalve niet goed controleerbaar.
Informatiebeschikking
(…)
Op 23 mei 2023 is een informatiebeschikking aangetekend verzonden waarin nogmaals wordt verzocht om de ontbrekende gegevens alsnog aan te leveren en in een formaat zodat de gegevens controleerbaar zijn. De aangetekende informatiebeschikking is niet door de heer [naam 4] in ontvangst genomen en ook niet afgehaald.
De heer [naam 4] heeft op 10 juni 2023 nog bestanden aangeleverd maar niet volledig en niet in [de] het gewenste formaat. Hierdoor is niet voldaan aan het gevraagde in de informatiebeschikking en is deze op 5 juli 2023 onherroepelijk geworden.
(…)
4 Loonheffingen
(…)
Formele vereisten
In meerdere verzoeken waaronder ook een informatiebeschikking zijn de volgende gegevens inzake
de formele vereisten en WID opgevraagd:
- kopie ID bewijzen van de personeelsleden
- arbeidsovereenkomsten
- verklaring toepassen loonheffingskorting
WID
(…)
Er is vastgesteld dat inhoudingsplichtige niet heeft voldaan aan de administratieve verplichtingen inzake de WID. De gevraagde gegevens zijn niet aangeleverd.
Vormvrije loonbelastingverklaringen van de werknemers
(…)
Indien geen identiteitsbewijs met vermelding van het Burgerservicenummer (BSN) door de
werknemer is overgelegd, dient een kopie van de originele brief, waarin het BSN werd toegekend, door inhoudingsplichtige worden gemaakt en dient deze kopie in de administratie te worden opgenomen.
Inhoudingsplichtige heeft tijdens het boekenonderzoek geen vormvrije loonbelastingverklaringen van de werknemers overgelegd.
(…)
HIER STAAT EEN TABEL. (…)
Er is voor niemand een kopie van een identiteitsbewijs en opgaaf toepassen loonheffingskorting aangeleverd. Derhalve wordt het anoniementarief toegepast met uitzondering van de kinderen [naam 5] en [naam 6] .
(…)
Uit bovenstaande constateringen blijkt dat de vereiste loonaangiften niet zijn gedaan. De
aangeleverde aangiften worden verworpen. Voor de geconstateerde verschillen worden
naheffingsaanslagen opgelegd.
(…)
Overige aspecten
Privégebruik auto
Geconstateerd dat in 2019 er in een aantal maanden bij de heer [naam 4] en zijn zoon
[naam 5] in de loonaangiften wordt aangegeven dat er een bijtelling Privégebruik auto heeft plaatsgevonden. Tevens wordt aangegeven dat er een werknemersbijdrage is ingehouden. De werknemersbijdrage wordt zelfs ingehouden terwijl er geen of een lagere bijtelling heeft plaatsgevonden.
(…)
Uit de registratie houderschapsbelasting blijkt dat het voertuig met kenteken [#] op naam van de ondernemer staat van 8-12-2017 tot 19-11-2019. Zoals hierboven aangegeven wordt in de loonaangifte bij [naam 5] aangegeven dat er een werknemersbijdrage is ingehouden op zijn loon. In de maanden juli, augustus en oktober 2019 wordt er een werknemersbijdrage aangegeven terwijl er geen bijtelling heeft plaatsgevonden. Aangezien er geen loonstroken zijn aangeleverd is niet te verifiëren of de werknemersbijdrage heeft plaatsgevonden.
(…)
12. Met dagtekening 28 juni 2024 is een naheffingsaanslag loonbelastingen opgelegd ter hoogte van € 33.879. Hierbij zijn twee vergrijpboetes wegens grove schuld opgelegd van 25%.
HIER STAAT EEN TABEL.
Geschil
13. In geschil is of de naheffingsaanslag, de vergrijpboete en de beschikking belastingrente terecht en juist zijn opgelegd. Meer specifiek is in geschil of de informatiebeschikking juist is bekendgemaakt en onherroepelijk is geworden. Tevens is in geschil of omkering en verzwaring van de bewijslast gerechtvaardigd is, of belanghebbende een geslaagd beroep kan doen op het vertrouwensbeginsel en of sprake is van een redelijke schatting.
14. Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag en de vergrijpboete ten onrechte zijn opgelegd. Volgens belanghebbende kan omkering en verzwaring van de bewijslast niet toegepast worden. De informatiebeschikking is namelijk niet (juist) verzonden, belanghebbende heeft juiste aangiften ingediend en de termijn voor het opleggen van de naheffingsaanslag kan derhalve niet worden verlengd. Belanghebbende stelt dat zij de identiteitsbewijzen niet kan overleggen omdat zij op basis van overheidsinformatie meende dat personeelsgegevens na twee jaar vernietigd moesten worden en zij beroept zich op het vertrouwensbeginsel.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag, de vergrijpboete en de belastingrentebeschikking. Tevens verzoekt belanghebbende om een proceskostenvergoeding.
15. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag, vergrijpboete en belastingrentebeschikking terecht en voor het juiste bedrag zijn opgelegd. Volgens verweerder dient omkering en verzwaring van de bewijslast toegepast te worden. Primair omdat sprake is van een onherroepelijke informatiebeschikking. Verweerder stelt zich op het subsidiaire standpunt dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Volgens verweerder is sprake van een redelijke schatting en zijn de vergrijpboete en de belastingrente terecht opgelegd.
Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling van het geschil
Omkering en verzwaring van de bewijslast - onherroepelijke informatiebeschikking?
16. Artikel 52a, eerste en derde lid, van de AWR luidt – voor zover relevant – als volgt:
“1. Indien met betrekking tot een op te leggen aanslag, navorderingsaanslag of naheffingsaanslag of een te nemen beschikking niet of niet volledig wordt voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 41, 47, 47a, 49, 52 (…) kan de inspecteur dit vaststellen bij voor bezwaar vatbare beschikking (informatiebeschikking). De inspecteur wijst in de informatiebeschikking op artikel 25, derde lid.
3. Indien de inspecteur een aanslag, navorderingsaanslag of naheffingsaanslag vaststelt of een beschikking neemt voordat de met betrekking tot die belastingaanslag of beschikking genomen informatiebeschikking onherroepelijk is geworden, vervalt de informatiebeschikking.”
17. Artikel 27e, eerste lid, van de AWR luidt als volgt:
“Indien de vereiste aangifte niet is gedaan of sprake is van een onherroepelijk geworden informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a, eerste lid, verklaart de rechtbank het beroep ongegrond, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.”
18. Verweerder stelt zich op het standpunt dat sprake is van een onherroepelijke informatiebeschikking omdat de beschikking op een juiste wijze is bekendgemaakt en geen rechtsmiddel is ingesteld. Verweerder stelt dat de informatiebeschikking aangetekend is verzonden aan het vestigingsadres van belanghebbende. Volgens verweerder is gedurende de openingstijden van de snackbar altijd iemand aanwezig om de aangetekende post aan te nemen. Het niet in ontvangst nemen en ophalen van het aangetekende stuk komt voor risico van belanghebbende. Belanghebbende is niet in bezwaar gegaan tegen de informatiebeschikking, ook niet nadat belanghebbende in het concept controlerapport op het bestaan hiervan is gewezen, noch toen een afschrift van de informatiebeschikking tijdens de inzage aan belanghebbende is verstrekt. Verweerder stelt dat de informatiebeschikking hierdoor onherroepelijk is geworden.
19. Belanghebbende betwist dat de informatiebeschikking is verzonden en stelt dat de beschikking mogelijk naar een onjuist adres of op een onjuiste wijze is verzonden. Volgens haar is de informatiebeschikking daarom niet bekend gemaakt en ook niet onherroepelijk geworden.
20. De rechtbank overweegt dat een besluit slechts in werking kan treden indien het is bekendgemaakt (zie artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht, hierna: Awb). Bekendmaking van een informatiebeschikking geschiedt door toezending of uitreiking van de beschikking aan degene tot wie deze is gericht (zie artikel 3:41, eerste lid, van de Awb). Verweerder stelt de informatiebeschikking per aangetekende post te hebben verzonden. Nu belanghebbende stelt dat verzending van de informatiebeschikking niet (juist) heeft plaatsgevonden, dient verweerder de verzending aannemelijk te maken. Verweerder heeft ter onderbouwing een envelop met daarop een sticker retour afzender en een ontvangststempel met de datum 16 juni 2023 overgelegd.
21. De rechtbank overweegt dat indien de bekendmaking geschiedt door toezending, de bekendmaking in beginsel heeft plaatsgevonden met de terpostbezorging van het stuk. Dit is echter anders indien de zending de belastingplichtige niet heeft bereikt als gevolg van een fout van verweerder, zoals een verkeerde adressering (vgl. HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:930, rechtsoverwegingen 3.3.4 en 3.3.5 en HR 4 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:45, r.o. 3.2.3). Ten tijde van verzending had belanghebbende een verplicht toezendadres geregistreerd dat afweek van het vestigingsadres (zie onder 1.). Verweerder heeft desondanks de informatiebeschikking naar het vestigingsadres verzonden. Daardoor is sprake van toezending aan een onjuist adres. Dit is een fout van verweerder met als gevolg dat het stuk belanghebbende niet heeft bereikt. Verweerder had niet aan het verplichte toezendadres voorbij mogen gaan. De stelling van verweerder dat tijdens openingstijden altijd mensen aanwezig zijn op het vestigingsadres om aangetekende post aan te nemen, maakt dit oordeel niet anders. Aan belanghebbende is de mogelijkheid geboden om een verplicht toezendadres te registreren, zij mag er dan vanuit gaan dat dit adres voor correspondentie wordt gebruikt. De rechtbank merkt daarbij op dat andere brieven van verweerder wel verzonden zijn aan het verplichte toezendadres. Niet is gebleken dat de informatiebeschikking op een ander moment aan belanghebbende is aangeboden. Het had op de weg van verweerder gelegen om op het moment van retourontvangst de juistheid van de adressering te controleren en de informatiebeschikking alsnog op een juiste wijze aan belanghebbende aan te bieden.
22. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet aannemelijk is geworden dat bekendmaking van de informatiebeschikking op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden. Dat belanghebbende op de hoogte kon zijn van het bestaan van de informatiebeschikking vanwege de vermelding in het controlerapport is dan niet relevant. De informatiebeschikking was niet bij het controlerapport gevoegd en belanghebbende heeft daardoor geen kennis kunnen nemen van de essentiële inhoud van de informatiebeschikking. Dit weegt temeer zwaar omdat belanghebbende in de informatiebeschikking een termijn krijgt om alsnog mee te werken aan het boekenonderzoek en de gevraagde informatie te verstrekken en vanwege de verstrekkende rechtsgevolgen die verbonden zijn aan een onherroepelijke informatiebeschikking.
23. De rechtbank constateert dat belanghebbende pas tijdens deze beroepsprocedure een afschrift van de informatiebeschikking heeft ontvangen. De informatiebeschikking is echter met het opleggen van de naheffingsaanslag van rechtswege vervallen (zie artikel 52, derde lid, van de AWR). Gelet hierop is geen sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast wegens een onherroepelijke informatiebeschikking.
Termijn opleggen naheffingsaanslag
24. Belanghebbende stelt dat de termijn voor het opleggen van de naheffingsaanslag niet kan worden verlengd, omdat de informatiebeschikking niet op de juiste wijze aan hem is bekendgemaakt. Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat de informatiebeschikking niet overeenkomstig de wettelijke voorschriften is bekendgemaakt, volgt zij belanghebbende in dit standpunt. Dit laat echter onverlet dat de naheffingsaanslag tijdig is opgelegd. De naheffingsaanslag dateert van 28 juni 2024, terwijl de uiterste termijn voor het opleggen van de naheffingsaanslag voor het belastingjaar 2019 afliep op 31 december 2024 en voor het belastingjaar 2020 op 31 december 2025. De naheffingsaanslag is derhalve tijdig opgelegd.
Omkering en verzwaring van de bewijslast – vereiste aangifte niet gedaan?
25. In artikel 27e, eerste lid, van de AWR is, voor zover hier van belang, opgenomen dat indien de vereiste aangifte niet is gedaan, het beroep ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (de zogenoemde ‘omkering en verzwaring van de bewijslast’). De bewijslast rust dan op de belastingplichtige, om te doen blijken, dat wil zeggen overtuigend aan te tonen, dat de opgelegde belastingaanslag onjuist is.
26. Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meerdere gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. De omstandigheid dat de administratie zodanige gebreken en tekortkomingen bevat dat deze niet kan dienen als grondslag voor de berekening van het belastbare bedrag, kan onderdeel zijn van de feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat de belastingplichtige niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Indien de administratie niet kan dienen als grondslag voor de loonberekening, brengt een redelijke bewijslastverdeling mee dat de inspecteur ter voldoening aan de op hem rustende bewijslast in eerste instantie kan volstaan met een gemotiveerde schatting van het loon, waarna de belastingplichtige aannemelijk dient te maken dat en waarom het loon lager is dan door de inspecteur is berekend (vgl. HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1086, r.o. 3.1.3 en HR 13 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1336, r.o. 3.2.1-3.2.2). Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast (zie bijv. HR 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083 en HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083).
27. Verweerder stelt zich subsidiair op het standpunt dat omkering en verzwaring van de bewijslast toegepast dient te worden omdat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan. Volgens verweerder vertoont de administratie ernstige gebreken, waardoor de juistheid en volledigheid van de loonaangiften niet kunnen worden gecontroleerd. In 2019 zijn in de loonaangiften onjuist bedragen verwerkt voor bijtelling privégebruik auto en werknemersbijdragen, waarbij bijdragen zijn aangegeven zonder (juiste) bijtelling en zonder bewijs van inhouding. Daarnaast zijn veel van de werknemers niet opgenomen in de loonadministratie en is niet duidelijk wie wanneer heeft gewerkt. Verweerder is daarom van oordeel dat de vereiste aangifte niet is gedaan.
28. Belanghebbende stelt dat zij de door verweerder gevraagde kopieën van identiteitsbewijzen niet meer kan overleggen, maar dat zij in 2019 en 2020 de identiteit van haar werknemers tijdig en voldoende heeft vastgesteld. Volgens belanghebbende is zij op basis van informatie op overheidswebsites ervan uitgegaan dat gegevens uit personeelsdossiers niet langer dan twee jaar na uitdiensttreding mochten worden bewaard. In de veronderstelling dat zij wettelijk verplicht was deze gegevens te vernietigen, heeft zij de personeelsdossiers verwijderd. Daarom beroept belanghebbende zich op het vertrouwensbeginsel.
29. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Op grond van artikel 52, tweede lid, van de AWR en artikel 53, eerste lid, van de AWR is belanghebbende administratieplichtig. Op grond van artikel 52, vierde lid, van de AWR is een administratieplichtige, voor zover bij of krachtens de belastingwet niet anders is bepaald, verplicht de tot de administratie behorende gegevensdragers gedurende zeven jaar te bewaren. Voor zover belanghebbende stelt dat zij op basis van informatie op overheidswebsites ervan uitging dat deze gegevens na twee jaar moesten worden vernietigd, volgt de rechtbank haar daarin niet. Belanghebbende heeft haar stelling niet nader onderbouwd en heeft in het bijzonder niet aannemelijk gemaakt waar zij deze informatie op de website van de Belastingdienst heeft aangetroffen. Een beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.
30. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van gebreken in de administratie. Belanghebbende heeft slechts een deel van de te voeren administratie verstrekt. Volgens het controlerapport heeft belanghebbende voor diverse werknemers geen loonaangifte gedaan. De rechtbank acht het niet opnemen van kopieën van identiteitsbewijzen en (vormvrije) opgaven van diverse werknemers voor de toepassing van de loonheffingskorting in de loonadministratie in strijd met de op belanghebbende rustende verplichting om de identiteit van haar werknemers vóór aanvang van de werkzaamheden vast te stellen en deze gegevens in de loonadministratie op te nemen (artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) jo. artikel 28, eerste lid, van de Wet LB). Belanghebbende heeft onvoldoende administratie gehouden voor het op de juiste wijze inhouden van loonheffingen.
31. De rechtbank acht aannemelijk dat in betekenende mate achteraf niet meer controleerbaar kan worden nagegaan welke werknemer welk loonbedrag (daadwerkelijk) heeft genoten. Door geen zodanige loonadministratie te voeren dat achteraf controleerbaar is welke werknemer welk loonbedrag (daadwerkelijk) heeft genoten, deed belanghebbende een te lage aangifte loonheffingen In zoverre had dus het anoniementarief moeten worden toegepast (HR 1 mei 1996, nr. 31.070, ECLI:NL:HR:1996:AA1959, r.o. 3.11 t/m 3.13). De rechtbank acht aannemelijk dat dit geldt voor alle loonaangiften in de tijdvakken waarover is nageheven. Voorts acht de rechtbank aannemelijk dat de verschuldigde loonbelasting en premies over al deze tijdvakken absoluut en relatief bezien aanzienlijk hoger waren dan de op de aangifte vermelde loonheffing. De rechtbank acht aannemelijk dat op deze wijze geen juiste loonaangiften zijn gedaan en dat belanghebbende niet kon menen een juiste aangifte te doen. Daarom moest belanghebbende zich ervan bewust zijn dat een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde loonheffing niet zou worden geheven.
32. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende voor het aangiftetijdvak waarop de naheffingsaanslag betrekking heeft niet de vereiste aangifte heeft gedaan Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen de hiervoor genoemde gebreken in de administratie omkering en verzwaring van de bewijslast.
Redelijke schatting
33. Nu sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast verklaart de rechtbank het beroep ongegrond, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de bestreden uitspraak op bezwaar onjuist is. De rechtbank dient te beoordelen (i) of sprake is van een redelijke − niet willekeurige − schatting door verweerder, en, zo ja, (ii) of belanghebbende heeft doen blijken dat en in hoeverre de aanslag onjuist is.
34. Verweerder heeft de verschuldigde loonbelasting berekend met gebruik van het anoniementarief. Ingevolge artikel 26b van de Wet LB wordt het zogenoemde anoniementarief toegepast ingeval de werknemer zijn naam, adres, woonplaats of burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, zijn sociaal-fiscaalnummer niet aan de inhoudingsplichtige heeft verstrekt dan wel zijn identiteit niet is vastgesteld en opgenomen in de loonadministratie overeenkomstig artikel 28, eerste lid, onderdeel e, van de Wet LB, alsmede ingeval de werknemer ter zake onjuiste gegevens heeft verstrekt en de inhoudingsplichtige dit weet of redelijkerwijs moet weten. Opgave van naam, adres, woonplaats en burgerservicenummer of sociaal-fiscaalnummer van de werknemer dient ingevolge artikel 65 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 schriftelijk door de werknemer plaats te vinden. Ingeval die gegevens niet door de werknemer zijn verstrekt, moet het anoniementarief worden toegepast.
35. Gelet op de berekening uit het controlerapport en de in het verweerschrift gegeven toelichting daarop acht de rechtbank de schatting van verweerder van de te weinig geheven loonheffingen redelijk. Belanghebbende heeft in beroep geen concrete gronden aangevoerd tegen de door verweerder gemaakte berekening van het belastbare loon. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat verweerder de naheffingsaanslag naar willekeur heeft vastgesteld door het anoniementarief toe te passen.
Vergrijpboete
36. Artikel 67f, eerste lid, van de AWR luidt als volgt:
“1. Indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige is te wijten dat belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn is betaald, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste 100 percent van de in het tweede lid omschreven grondslag voor de boete.
2. De grondslag voor de boete wordt gevormd door het bedrag van de belasting dat niet of niet tijdig is betaald, voor zover dat bedrag als gevolg van de opzet of de grove schuld van de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige niet of niet tijdig is betaald.”
37. Verweerder heeft op grond van artikel 67f van de AWR vergrijpboetes van 25% van de nageheven belasting, een bedrag van € 665 voor het jaar 2019 en een bedrag van € 5.287 voor het jaar 2020, opgelegd omdat het volgens verweerder aan de grove schuld van belanghebbende te wijten is dat te weinig belasting op aangifte is voldaan.
38. De rechtbank overweegt als volgt. Onder grove schuld moet worden verstaan een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid en dit omvat mede grove onachtzaamheid. Ten aanzien van de bijtelling voor het privégebruik van de auto overweegt de rechtbank dat belanghebbende zich ervan bewust was dat een bijtelling diende plaats te vinden. Dit volgt reeds uit het feit dat in eerdere tijdvakken zowel de bijtelling privégebruik auto als de werknemersbijdrage in de aangiften loonheffingen zijn verwerkt. Vanaf juli 2019 is echter uitsluitend de werknemersbijdrage opgenomen, terwijl de bijtelling achterwege is gebleven. Belanghebbende heeft hiervoor geen afdoende verklaring gegeven. Het structureel opnemen van de werknemersbijdrage zonder de daarbij behorende bijtelling getuigt van een zodanige onachtzaamheid dat sprake is van grove schuld.
39. Ten aanzien van de onjuiste aangiften loonheffingen overweegt de rechtbank dat sprake is van meerdere onjuistheden in de loonadministratie. Zo zijn loonbetalingen aan werknemers niet, dan wel niet volledig, in de aangiften loonheffingen verwerkt. Daarnaast ontbraken vereiste administratieve gegevens, waaronder identificatiegegevens en loonbelastingverklaringen van werknemers. De verklaring van belanghebbende dat zij meende dat deze gegevens niet langer dan twee jaar na uitdiensttreding mochten worden bewaard acht de rechtbank niet geloofwaardig. Belanghebbende heeft daarmee niet de vereiste zorg betracht die van haar als inhoudingsplichtige mocht worden verwacht. Het bewust binnen twee jaar na uitdiensttreding verwijderen van persoonsgegevens kwalificeert eveneens als grove onachtzaamheid en daarmee als grove schuld.
40. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat het aan grove schuld van belanghebbende is te wijten dat te weinig loonheffingen zijn afgedragen. De vergrijpboetes zijn daarom terecht opgelegd.
Belastingrente
41. Belanghebbende heeft geen gronden tegen de belastingrentebeschikking aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding voor vermindering van de belastingrentebeschikking.
Slotsom
42. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
43. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. Brouwer, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Brons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).