Belastingrecht

Het verzoek om toekenning van de verhuisboedelvrijstelling (in de zin van artikel 14 van de Wet bpm en…

Rechtbank Noord-Holland, 21 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 21 augustus 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
21 augustus 2026
Datum publicatie
21 augustus 2026
Zaaknummer
HAA 26/2535
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:10998
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Het verzoek om toekenning van de verhuisboedelvrijstelling (in de zin van artikel 14 van de Wet bpm en artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit bpm) is terecht afgewezen, omdat belanghebbende niet aan de voorwaarden voldoet.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 26/2535

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 augustus 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Bij beschikking van 4 december 2025 heeft verweerder de door belanghebbende ingediende aanvraag vergunning vrijstelling van de belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM) bij verhuizing binnen de Europese Unie (hierna: EU) afgewezen.

Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de beschikking gehandhaafd.

Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2026 te Haarlem . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en mr. [naam 2] . Belanghebbende is, zonder voorafgaande kennisgeving daarvan aan de rechtbank, niet verschenen. Belanghebbende is door de griffier per digitaal bericht, onder vermelding van plaats, datum en tijdstip, uitgenodigd om de zitting bij te wonen. Tot het digitale dossier behoort een notificatie waaruit volgt dat het bericht op 30 juni 2026 naar het door belanghebbende opgegeven e-mailadres is verstuurd. De rechtbank maakt daaruit op dat belanghebbende op de juiste wijze is uitgenodigd voor het bijwonen van de zitting en concludeert dat de mondelinge behandeling van de zaak daarom kon doorgaan.

Overwegingen

Feiten

  1. Sinds 29 mei 2015 houdt belanghebbende 40% van de aandelen van [bedrijf 1] B.V. (hierna: de B.V.). Daarnaast is belanghebbende sinds 15 januari 2022 een firmant van de in Nederland gevestigde vennootschap onder firma [bedrijf 2] (hierna: de vof).

  2. Belanghebbende heeft in loondienst bij een Duitse werkgever gewerkt en met zijn gezin in Duitsland gewoond.

3. Belanghebbende heeft op 5 mei 2023 in Duitsland , waar hij op dat moment woonde, een personenauto gekocht, te weten een [merknaam] (hierna: de auto).

4. Op enig moment na het jaar 2023 is belanghebbende met zijn gezin terug verhuisd naar Nederland.

5. Per 1 juni 2024 is belanghebbende in loondienst getreden bij de B.V., waarbij in de arbeidsovereenkomst is vastgelegd dat de werkzaamheden, voor een arbeidsduur van gemiddeld 32 uur, verdeeld over 5 werkdagen, door belanghebbende deels worden verricht op locatie in [plaats] en deels vanuit huis. Volgens de arbeidsovereenkomst treedt belanghebbende in dienst voor onbepaalde tijd in de functie van ‘Inkoop, magazijn marketing beheerder’.

6. De kinderen van belanghebbende zijn vanaf het najaar van 2024 naar school gegaan in Nederland.

7. Tot de gedingstukken behoort een afschrift uit de Basisregistratie Personen (BRP), waaruit volgt in welke perioden belanghebbende ingeschreven was als inwoner van Nederland en welke verblijfplaats (in Duitsland ) van belanghebbende bekend was bij de gemeente in de perioden dat hij niet in Nederland was ingeschreven, namelijk:

Periode

Adres

van

Tot

1 januari 2025

heden

[adres 1] , [woonplaats]

19 juni 2024

1 januari 2025

[adres 2] , [woonplaats]

8 januari 2024

19 juni 2024

[gemeente] , Duitsland

19 juni 2023

8 januari 2024

[adres 2] , [woonplaats]

13 januari 2020

19 juni 2023

[gemeente] , Duitsland

8. Tot de gedingstukken behoort een stuk getiteld ‘Amtliche Meldebestätigung für die Abmeldung’ met dagtekening 12 november 2025 waaruit volgt dat belanghebbende en zijn gezin zich per 11 april 2025 hebben uitgeschreven uit de gemeente [gemeente] in Duitsland .

9. Belanghebbende heeft met dagtekening 1 juli 2025 (door verweerder ontvangen op 4 juli 2025) aangifte BPM gedaan in verband met de inschrijving in het Nederlandse kentekenregister van de uit Duitsland afkomstige auto. In de aangifte is de vraag naar de aanwezigheid van een vrijstellingsvergunning negatief beantwoord.

10. Op 7 juli 2025 is het BPM bedrag van € 8.464 op aangifte voldaan.

11. De auto is op 24 juni 2025 gekeurd door de RDW en heeft op 8 juli 2025 een Nederlands kenteken gekregen.

12. Belanghebbende heeft op 17 november 2025 voor de auto een verzoek ingediend tot vrijstelling van BPM bij verhuizing binnen de Europese Unie (hierna: de verhuisboedelvrijstelling) op grond van artikel 14 van de Wet belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) in samenhang gelezen met artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: het Uitvoeringsbesluit).

13. In het verzoek heeft belanghebbende aangegeven dat hij op 19 juni 2024 naar Nederland is verhuisd en dat de auto op 8 juli 2025 naar Nederland is overgebracht.

14. Verweerder heeft het verzoek van belanghebbende, ook na bezwaar, afgewezen. In de bezwaarfase heeft er op 3 maart 2026 telefonisch een hoorgesprek plaatsgevonden tussen partijen. Van het hoorgesprek is met dagtekening van eveneens 3 maart 2026 een verslag opgemaakt dat – voor zover hier van belang – als volgt luidt:

“In het bezwaar was aangegeven dat de verhuizing feitelijk pas in november/december 2024 had plaatsgevonden. Wij vragen voor bewijs en/of aanvullende documenten waaruit zou blijken dat belanghebbende nog activiteiten en gevestigd was in Duitsland . Veel verschillende documenten zijn al opgestuurd. Waaronder uitschrijving van gedateerd april 2025, maar eigenlijk al in december 2024 al uitgeschreven in Duitsland . In september 2024 zijn de kinderen naar Nederland gebracht. In december 2024 zijn volgens belanghebbende de sleutels ingeleverd en geld teruggekregen voor zijn woning in Duitsland .

De verschillende datums kwamen omdat meneer een bezichtiging had in Nederland. Woning niet gekregen en toen weer in Duitsland ingeschreven. Op 19 juni 2023 terug ingeschreven in Nederland bij zijn moeder. Toen was al zeker dat er een woning verkregen zal worden in Nederland en dat was het moment waarop de kinderen naar school waren gestart met school in september 2024.

Waarom het voertuig niet direct is geregistreerd in Nederland, komt omdat het voertuig stil stond in de garage en des tijds meneer druk bezig was met werken, de verhuizing en andere zaken. Het voertuig is al ruim 3 jaar in bezit. Belanghebbende geeft aan dat hij daarnaast niet op de hoogte was van een vrijstelling bpm.

Belanghebbende zal kijken of er nog ondersteunende documenten te vinden zijn die hij nog niet heeft verstuurd. Maar belanghebbende geeft aan dat hij alle documenten verstuurd heeft.

Na de uitspraak kan meneer nog in beroep bij een afwijzing. Anders kan hij geld terugkrijgen. Wij gaan het bezwaar en gronden meenemen in de uitspraak.”

15. Belanghebbende heeft op 4 maart 2026 op het verslag van het hoorgesprek gereageerd en heeft daarbij de volgende toelichting gegeven:

“Correctie nadere toelichting op verslag hoorgesprek d.d. 3 maart 2026

In het verslag staat vermeld dat ik op 19 juni 2023 in Nederland ben ingeschreven. Deze inschrijving heeft inderdaad plaatsgevonden, maar dit was niet het moment van onze daadwerkelijke verhuizing naar Nederland.

Medio 10 juni 2023 heb ik mij tijdelijk in Nederland ingeschreven in de veronderstelling dat wij op korte termijn een woning zouden krijgen. De inschrijving was bedoeld om de nodige voorbereidingen te kunnen treffen voor een verhuizing, zoals het verkrijgen van een woning, het inschrijven van de kinderen op school en het regelen van verzekeringen.

Het adres waarop ik destijds stond ingeschreven betreft het woonadres van mijn moeder. Met haar toestemming heb ik mij daar tijdelijk ingeschreven.

Omdat het verkrijgen van een woning op dat moment niet is gelukt, heb ik mij weer uitgeschreven. Gedurende deze gehele periode bleef ons gezin feitelijk in Duitsland gevestigd.

Ons gezin is pas in september 2024 daadwerkelijk naar Nederland verhuisd.

Verder wil ik toelichten dat het voertuig ongeveer 10 maanden na onze daadwerkelijke verhuizing naar Nederland is ingevoerd. Dit valt binnen de termijn van één jaar na verhuizing.

Tijdens het hoorgesprek is vermeld dat ik niet op de hoogte zou zijn geweest van de vrijstelling van BPM. Dit wil ik graag nuanceren. Bij het invoeren van het voertuig heb ik telefonisch contact opgenomen met de Belastingdienst om dit na te vragen. Mij is toen aangegeven dat bij een verhuizing naar Nederland de betaalde BPM kan worden terugbetaald, mits het voertuig binnen één jaar na de verhuizing wordt ingevoerd. Aan deze voorwaarde is in mijn situatie voldaan.”

Geschil

16. In geschil is of verweerder terecht het verzoek van belanghebbende om toekenning van de verhuisboedelvrijstelling heeft afgewezen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of belanghebbende aan alle voorwaarden voor toepassing van de vrijstelling heeft voldaan.

17. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat verweerder de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen en voert daartoe – kort gezegd – aan dat zijn normale verblijfplaats zich tot september 2024 in Duitsland bevond, zodat aan de voorwaarden voor de vrijstelling is voldaan en hij geen BPM is verschuldigd.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vaststelling van zijn recht op vrijstelling van BPM.

18. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanvraag terecht is afgewezen omdat aan de voorwaarden van de verhuisboedelvrijstelling niet is voldaan. Volgens verweerder bevond het permanente centrum van belangen van belanghebbende zich sinds juni 2024 al in Nederland.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

19. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Juridisch kader

20. In artikel 14, eerste lid, van de Wet BPM is - voor zover hier van belang - bepaald dat onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen vrijstelling van belasting kan worden verleend voor uit een ander land afkomstige personenauto’s die voor specifieke doeleinden of onder specifieke omstandigheden naar Nederland zijn gebracht.

21. In artikel 4, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit is bepaald dat vrijstelling kan worden verleend voor een uit een ander land afkomstige auto indien ter zake van het in het vrije verkeer brengen daarvan aanspraak op vrijstelling van rechten bij invoer bestaat, of zou bestaan indien de vervoermiddelen uit een ander land dan een lidstaat van de Europese Unie in het vrije verkeer zouden zijn gebracht, onder de daarbij gestelde beperkingen en voorwaarden.

22. Artikel 4, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit luidt als volgt:

“Indien voor de motorrijtuigen, bedoeld in het eerste lid, vrijstelling van rechten bij invoer wordt gevraagd overeenkomstig de daarvoor geldende bepalingen, dient de desbetreffende aanvraag tevens het verzoek om vrijstelling van belasting te bevatten. In andere gevallen is artikel 2, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing.”

23. Artikel 2, tweede en derde lid, van het Uitvoeringsbesluit luiden als volgt:

“2. De vrijstelling wordt door de inspecteur op verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking verleend.

3. Het verzoek wordt bij de inspecteur ingediend voor de aanvang van het gebruik van de weg met het motorrijtuig.”

24. Ingevolge artikel 3 van de Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad van 16 november 2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen (hierna: de Verordening) zijn, behoudens het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 11, van rechten bij invoer vrijgesteld de persoonlijke goederen, ingevoerd door natuurlijke personen die hun normale verblijfplaats naar het douanegebied van de Gemeenschap overbrengen.

25. Volgens artikel 5, eerste lid, van de Verordening komen voor de vrijstelling alleen personen in aanmerking die hun normale verblijfplaats sedert ten minste twaalf opeenvolgende maanden buiten het douanegebied van de Gemeenschap hebben gehad. De bevoegde autoriteiten kunnen, volgens het tweede lid van artikel 5, van de Verordening, van het bepaalde in het eerste lid evenwel afwijkingen toestaan, mits het in het voornemen van de betrokkene lag gedurende ten minste twaalf maanden buiten het douanegebied van de Gemeenschap te verblijven

26. Artikel 7 van de Verordening bepaalt, voor zover hier van belang, dat, behoudens bijzondere omstandigheden, vrijstelling slechts wordt verleend voor persoonlijke goederen die vóór het verstrijken van een termijn van twaalf maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de belanghebbende zijn normale verblijfplaats in het douanegebied van de Gemeenschap heeft gevestigd, voor het vrije verkeer zijn aangegeven.

27. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 23 april 1991, zaak C-297/89 (Ryborg) en van 12 juli 2001, zaak C-262/99 (Louloudakis) moet onder de normale verblijfplaats worden verstaan de plaats waar een persoon het permanente centrum van zijn belangen heeft, waarbij alle relevante feitelijke elementen in aanmerking moeten worden genomen. Indien een persoon zowel persoonlijke als beroepsmatige bindingen in twee lidstaten heeft en het op basis van alle relevante feitelijke elementen niet mogelijk zou zijn om vast te stellen waar het permanente centrum van de belangen van de betrokkene is gelegen, moet voorrang worden gegeven aan de persoonlijke bindingen.

Verhuisboedelvrijstelling terecht afgewezen

28. Eén van de voorwaarden voor vrijstelling van BPM is dat het verzoek daartoe moet zijn ingediend bij verweerder voordat met de auto gebruik van de weg is gemaakt (volgens artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit). Uit de gedingstukken volgt, hetgeen tussen partijen ook niet in geschil is, dat de auto op 24 juni 2025 is gekeurd door de RDW en dat de auto op 8 juli 2025 een Nederlands kenteken heeft gekregen. Verder heeft belanghebbende het verzoek tot vrijstelling ingediend op 17 november 2025 en heeft belanghebbende bij de aanvraag aangegeven dat de auto op 8 juli 2025 naar Nederland is overgebracht. Uit deze feiten concludeert de rechtbank dat met de auto gebruik is gemaakt van de weg vóórdat belanghebbende de aanvraag bij verweerder heeft ingediend. Dit betekent dat belanghebbende niet aan alle voorwaarden voor toepassing van de verhuisboedelvrijstelling heeft voldaan en dat verweerder reeds daarom het verzoek van belanghebbende om toepassing van de vrijstelling terecht heeft afgewezen.

29. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat zij evenmin heeft kunnen vaststellen dat belanghebbende heeft voldaan aan de overige voorwaarden voor de vrijstelling, namelijk dat zijn normale verblijfplaats vóór de verhuizing naar Nederland minimaal twaalf maanden in het buitenland was (artikel 5 van de Verordening) en dat het verzoek om vrijstelling binnen twaalf maanden na de verhuizing is gedaan (artikel 7 van de Verordening). Belanghebbende heeft in het verzoek om vrijstelling van BPM aangegeven dat hij op 19 juni 2024 naar Nederland is verhuisd. Het verzoek om de vrijstelling is meer dan een jaar daarna gedaan, namelijk op 17 november 2025. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de verhuizing na 17 november 2024 heeft plaatsgevonden. Ook is niet aannemelijk geworden dat de normale verblijfplaats van belanghebbende vóór de verhuizing naar Nederland minimaal twaalf maanden in het buitenland was, ook niet indien ervan wordt uitgegaan dat de verhuizing wel op een later moment dan op 19 juni in 2024 heeft plaatsgevonden. De rechtbank hecht daarbij waarde aan de objectieve gegevens uit de BRP, waaruit volgt dat belanghebbende in 2023 en 2024 ook als inwoner van Nederland ingeschreven heeft gestaan. In dit verband is ook van belang dat belanghebbende per 1 juni 2024 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan met de B.V. waarin belanghebbende 40% van de aandelen houdt, en dat in de arbeidsovereenkomst is vastgelegd dat de feitelijke werkzaamheden door belanghebbende (ook) in Nederland zullen worden verricht. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien dat de overeengekomen werkzaamheden (inkoop, magazijn, marketing beheerder) vanuit Duitsland hadden kunnen worden verricht. Verder is relevant dat belanghebbende firmant was van de in Nederland in de vorm van een vof gedreven onderneming. Ook in dat kader moet ervan worden uitgegaan dat belanghebbende zijn werkzaamheden voornamelijk in Nederland heeft verricht en niet in Duitsland . Zonder nadere onderbouwing valt niet in te zien dat belanghebbende in de aaneensluitende periode van twaalf maanden voorafgaande aan de verhuizing meer persoonlijke bindingen met Duitsland had en dat hij ondanks de zakelijke banden met Nederland zijn normale verblijfplaats in Duitsland had. Het onbeantwoord blijven van vragen hierover komt voor rekening van belanghebbende.

Conclusie

30. Gelet op het bovenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

31. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, rechter, in aanwezigheid van

mr. I. Kroesemeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2026.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).

U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de datum van verzending;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).