Belastingrecht
Douanerecht, accijns en omzetbelasting over rooktabak en sigaretten meegenomen via Schiphol, groene kanaal…
Rechtbank Noord-Holland, 16 juli 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:11011 · Rechtbank Noord-Holland · 16 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-holland/bestuursrecht/belastingrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbnho-2026-11011
Zaakgegevens
Op 16 juli 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-HollandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Datum uitspraak
- 16 juli 2026
- Datum publicatie
- 24 augustus 2026
- Zaaknummer
- AWB - 25 _ 2966
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2026:11011
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Douanerecht, accijns en omzetbelasting over rooktabak en sigaretten meegenomen via Schiphol, groene kanaal. Vrijstelling. Beroep ongegrond.
Uitspraak
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/2966
uitspraak van de enkelvoudige douanekamer van 16 juli 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende
en
de inspecteur van de Douane.
Inleiding
Deze uitspraak gaat over de verschuldigdheid van invoerrechten, accijns en omzetbelasting voor het meenemen van rooktabak en sigaretten door het groene kanaal op Schiphol.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een uitnodiging tot betaling (utb) opgelegd voor de invoer van rooktabak en sigaretten van in totaal € 787,70, bestaande uit € 62,03 aan douanerechten, € 572,58 aan accijns en € 153,09 aan btw.
De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de utb gehandhaafd.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.
De inspecteur heeft op 26 juni 2026 een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft daarop bij brief van 6 juli 2026 gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2026 te Haarlem.
Belanghebbende is verschenen.
De inspecteur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] (procesvertegenwoordiger), [naam 2] (beslismedewerker) en [naam 3] (controlerend douaneambtenaar).
Overwegingen
Feiten
1. Belanghebbende, woonachtig in Nederland, is op 26 maart 2025 vanuit Turkije op Schiphol aangekomen. Belanghebbende verliet de aankomsthal via het zogenaamde groene kanaal “niets aan te geven”. Tijdens een controle door de douane zijn de volgende goederen in zijn (hand)bagage aangetroffen:
- 1000 gram rooktabak
- Sigaretten: *Marlboro gold (200 stuks)
*Marlboro touch (200 stuks)
*Omé menthol (400 stuks)
2. In verband met de invoer van 750 gram rooktabak en 800 sigaretten is de utb uitgereikt.
3. Tot de stukken van het geding behoort een proces-verbaal van verhoor van belanghebbende van 27 maart 2025. In dit proces-verbaal is - voor zover van belang - het volgende vermeld:
“- Waar komt de vlucht vandaan?
istanbul.
(…)
- wilt u zelf nog wat toevoegen aan uw verklaring/
Ja dat er 2 sloffen van mijn reisgenoot was die al buiten is.
4. Tot de stukken van het geding behoort verder een proces-verbaal Fiscaal van
1 april 2025. In dit proces-verbaal is - voor zover van belang - het volgende vermeld:
“Datum strafbare feit 26-03-2025
Plaats/reisgegevens
(…)
Locatie (werkpunt) Aankomsthal 4
(…)
Groene/rode kanaal √ groen
Aantal medereizigers 0
(…)
Utb uitgereikt √ Ja.
(…)
Verleende vrijstelling t. b.v. reizigersverkeer:
250 gram rooktabak, geen merk, 1 passagier”
5. In het verslag van het telefonisch hoorgesprek 21 april 2025 douane/Schiphol Passagiers te Schiphol staat – voor zover van belang – het volgende vermeld:
(…).
“- De heer [belanghebbende] verteld het volgende; Ik ben in mijn brief duidelijk geweest. We reisde met zijn tweeën, maar ik heb maar vrijstelling gekregen voor één persoon. Mij is toen der tijd niet duidelijk gemaakt dat als ik met meer personen reis, ik recht heb op meer vrijstelling.
- De heer [belanghebbende] verteld; De ambtenaar vertelde mij tijdens de controle dat de shag niet berekend zou worden.
- De heer [naam 2] vraagt; Bent u samen met uw neef door de uitgang gelopen?
- De heer [belanghebbende] verteld; Nee, mijn neef stond nog bij de band en ik wilde graag roken.
- De heer [naam 2] vraagt; Heeft de ambtenaar gevraagd of u alleen reist of samen?
- De heer. [belanghebbende] verteld; Nee, dat heeft de douane ambtenaar niet gevraagd.
- De heer [belanghebbende] verteld; De douane ambtenaar vertelde mij dat de shag buiten wege zou blijven en ik alleen een aanslag voor de vier sloffen sigaretten zou krijgen. Ik vind het achterbaks dat het toch berekend is. Het is niet netjes dat het toch “achteraf” in mijn ogen zo gegaan is.
(…)
Geschil
6. In geschil is of de utb terecht aan belanghebbende is uitgereikt, hetgeen belanghebbende ontkent en de inspecteur bevestigt.
7. Belanghebbende stelt dat hij vanaf het begin heeft verklaard dat twee sloffen sigaretten eigendom waren van zijn neef, met wie hij samen reisde. In de stukken staat ten onrechte dat er sprake zou zijn van 0 medereizigers. Doordat de inspecteur onder meer geen onderzoek heeft gedaan naar zijn medereiziger, is het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden. Door uit te gaan van de verkeerde feiten, mist de utb feitelijke grondslag en is de uitspraak op bezwaar ondeugdelijk gemotiveerd. Tijdens de controle is door de douaneambtenaar toegezegd dat de merkloze rooktabak niet zou worden meegenomen in de utb. De rooktabak is echter alsnog in de utb opgenomen. Daarom is het vertrouwensbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel geschonden. De heffing is disproportioneel.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de utb.
8. De inspecteur voert aan dat de verschuldigdheid van belasting is ontstaan op grond van artikel 79 van het Douanewetboek van de Unie (hierna: DWU) omdat belanghebbende met meer dan de toegestane hoeveelheid het groene kanaal heeft betreden. Aangezien belanghebbende niet samen met zijn medereiziger het groene kanaal heeft gepasseerd, heeft hij alleen recht op de vrijstelling voor zichzelf. Als de medereiziger samen met belanghebbende het groene kanaal had gepasseerd, hadden ze wel allebei recht gehad op hun vrijstelling. Omdat belanghebbende van de vrijstelling gebruik wil maken, is het aan hem om dat kenbaar te maken. Het is niet aan de inspecteur om de mogelijkheden voor vrijstelling te onderzoeken. Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan niet slagen. Wat tegen belanghebbende zou zijn gezegd tijdens de controle is niet te achterhalen. Ook de overige door belanghebbende genoemde beginselen van behoorlijk bestuur zijn niet geschonden.
De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Juridisch kader
9. Op grond van artikel 138, onder a, en artikel 141, eerste lid, onder a, van de Gedelegeerde Verordening DWU kan door gebruikmaking van het groene kanaal “niets aan te geven” (door enige andere handeling) voor (onder meer) de volgende goederen een douaneaangifte worden gedaan voor de douaneregeling in het vrije verkeer brengen:
-goederen zonder handelskarakter in de persoonlijke bagage van reizigers, die in aanmerking komen voor vrijstelling van invoerrechten krachtens artikel 41 van Verordening (EG) nr. 1186/2009. Deze vrijstelling geldt voor tabaksproducten
per reiziger tot een maximum van:
- 200 sigaretten;
- 100 cigarillo’s;
- 50 - sigaren;
- 250 - gram rooktabak; of
- een proportioneel assortiment van deze producten.
Beoordeling van het geschil
10. Zoals volgt uit het hiervoor weergegeven juridisch kader, kan een vrijstelling voor tabaksproducten worden geclaimd door het doen van aangifte door het passeren van het groene kanaal “niets aan te geven”.
Hieruit volgt dat degene die een beroep doet op de vrijstelling, zich bij de goederen moet bevinden op het moment dat het groene kanaal wordt gepasseerd.
11. Wanneer een reiziger niet alleen voor zichzelf maar ook voor medereizigers vrijstelling van rechten bij invoer claimt, mag in een dergelijke situatie tenminste worden verwacht dat het reisgezelschap tezamen door het zogenaamde groene kanaal loopt. Op die manier kan elke reiziger de hem of haar toekomende vrijstelling claimen. Een reiziger kan alleen in het groene kanaal aanspraak maken op de aan hem toekomende vrijstelling. Het is dus van belang dat reizigers die gezamenlijk aanspraak willen maken op hun vrijstelling gelijktijdig door het groene kanaal lopen. Dit volgt uit jurisprudentie.
12. Niet in geschil is dat belanghebbende met 1000 gram rooktabak en 800 stuks sigaretten in zijn bagage het groene kanaal is gepasseerd. Voorts is niet in geschil dat belanghebbende samen reisde met een medereiziger in die zin dat ze samen in het vliegtuig zaten en dat er twee sloffen sigaretten eigendom waren van die medereiziger.
Echter, het feit dat belanghebbende en zijn neef medereizigers waren, is in dit geval niet relevant, omdat belanghebbende alleen het groene kanaal heeft gepasseerd. Belanghebbende heeft dus recht op de aan hem toekomende vrijstelling, namelijk voor 250 gram rooktabak of 200 sigaretten. Voor de toepassing van de vrijstelling is het niet relevant wiens eigendom de goederen zijn.
13. Nu belanghebbende meer tabaksproducten bij zich had dan 250 gram rooktabak of 200 sigaretten, heeft hij voor het meerdere (750 gram rooktabak en 800 sigaretten) ten onrechte gebruik gemaakt van het groene kanaal. Dit leidt volgens artikel 219 van de Uitvoeringsverordening DWU tot het ontstaan van een douaneschuld als genoemd in artikel 79 van het DWU voor de ter zake van de invoer verschuldigde douanerechten. Dit komt doordat belanghebbende voor het meerdere geacht wordt geen aangifte te hebben gedaan. Op grond van artikel 1, aanhef en onder d, in samenhang met artikel 18 van de Wet op de omzetbelasting 1968 en artikel 1 in samenhang met artikel 2, eerste lid, onder d, van de Wet op de accijns ontstaat dan tevens een belastingschuld van omzetbelasting en accijns.
14. Belanghebbende voert aan dat het op de weg lag van de Douane om onderzoek te doen naar de medereiziger, omdat hij in het verhoor duidelijk had aangegeven dat sprake was van een medereiziger en hij vanaf het begin heeft verklaard dat twee sloffen sigaretten eigendom waren van zijn reisgenoot. Zo had de Douane dienen te onderzoeken welke goederen aan de medereiziger toebehoorden, hoe de goederen over de reizigers zijn verdeeld, welke bagage aan welke reiziger toebehoorde, of de medereiziger kon worden gehoord en of de medereiziger aanspraak maakte op een deel van de goederen.
15. De rechtbank volgt belanghebbende niet in dit standpunt. Immers, doordat belanghebbende het groene kanaal is gepasseerd, is op dat moment de vrijstelling van toepassing en is over het meerdere belasting (douanerechten, accijns en btw) verschuldigd. Zoals hiervoor is overwogen, geldt die vrijstelling alleen voor belanghebbende omdat zijn medereiziger niet gelijktijdig met hem het groene kanaal is gepasseerd.
Het door belanghebbende gewenste onderzoek door de Douane, wat daar verder ook van zij, had dit niet anders kunnen maken.
16. De onweersproken stelling van belanghebbende dat hij heeft gezien dat passagiers die samen reizen in sommige gevallen uit elkaar worden gehaald, waarna één passagier wordt doorgestuurd, is voor de zaak van belanghebbende niet relevant, omdat belanghebbende niet samen met zijn medereiziger het groene kanaal is gepasseerd.
17. Belanghebbende doet een beroep op het vertrouwensbeginsel en voert aan dat de controlerend douaneambtenaar tijdens de controle tegen hem heeft gezegd dat de rooktabak buiten de belastingheffing zou blijven, hetgeen bij ontvangst van de utb niet het geval bleek. De inspecteur heeft hierop in het verweerschrift gereageerd met de stelling dat niet is na te gaan wat er tijdens de controle is gezegd. Ter zitting heeft de controlerend douaneambtenaar verklaard dat hij zich niet meer kan herinneren wat er op dit punt is gezegd. De inspecteur heeft ter zitting gesteld dat, met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, niet is gezegd dat de vrijstelling op 1000 gram rooktabak ziet.
18. De rechtbank is van oordeel dat, ook als wordt uitgegaan van de stelling van belanghebbende dat de controlerend ambtenaar gezegd zou hebben dat de vrijstelling ziet op 1000 gram rooktabak, het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel niet zijn geschonden. Immers, de wetgeving, artikel 21b van de Wet op de omzetbelasting 1968 en artikel 68a van de Wet op de accijns, is volstrekt helder ten aanzien van wat onder de vrijstelling van tabaksproducten per reiziger valt. Het is de verantwoordelijkheid van belanghebbende om zich goed te informeren over de verschuldigde belastingen bij invoer. Belanghebbende mocht er daarom niet vanuit gaan dat hij 1000 gram rooktabak met een vrijstelling zou mogen invoeren.
19. Anders dan belanghebbende betoogt, is het proportionaliteitsbeginsel niet geschonden.
Immers, de inspecteur hoefde slechts rekening te houden met een vrijstelling voor belanghebbende en niet ook voor belanghebbendes reisgenoot, zoals hiervoor is overwogen. Daarnaast is het totaalbedrag van de utb niet disproportioneel omdat de tarieven voortvloeien uit de wet en voor de accijns en de omzetbelasting gelijk zijn aan de tarieven die op Nederlandse tabaksproducten van toepassing zijn.
Slotsom
20. Het voorgaande betekent dat de utb terecht en voor het juiste bedrag is opgelegd. De rechtbank zal het beroep daarom ongegrond verklaren.
Proceskosten en griffierecht
21. De rechtbank merkt op dat belanghebbende het argument dat tegen hem zou zijn gezegd dat de rooktabak buiten de heffing zou blijven, reeds in zijn bezwaarschrift en in het hoorgesprek heeft aangevoerd, en dat dit argument voor hem een wezenlijk deel van de gronden van zijn bezwaar en beroep vormde. De inspecteur heeft daarop pas in het verweerschrift gereageerd. Omdat belanghebbende dus genoodzaakt was om in beroep te gaan om een reactie te krijgen op dit wezenlijke onderdeel van het bezwaar, acht de rechtbank een proceskostenvergoeding op zijn plaats.
22. Deze kosten, te weten de reiskosten op basis van openbaar vervoer, tweede klasse, stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 33,80 ( [woonplaats] -Haarlem- [woonplaats] ). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.
23. Bovenstaande vormt op grond van artikel 8:74, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht tevens grond om de inspecteur op te dragen het betaalde griffierecht ten bedrage van € 194 aan belanghebbende te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur in de reiskosten van belanghebbende tot een bedrag van
€ 33,80;
- draagt de inspecteur op het betaalde griffierecht van € 194 aan belanghebbende te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.C. Schipper, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.P. van der Zalm, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
16 juli 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de douanekamer van het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.