Belastingrecht
Parkeerbelasting. Volgens eiser is de naheffingsaanslag ten onrechte opgelegd omdat hij stond te wachten op…
Rechtbank Noord-Holland, 12 februari 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:2561 · Rechtbank Noord-Holland · 12 februari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-holland/bestuursrecht/belastingrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbnho-2026-2561
Zaakgegevens
Op 12 februari 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-HollandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Alkmaar
- Datum uitspraak
- 12 februari 2026
- Datum publicatie
- 12 maart 2026
- Zaaknummer
- AWB - 24 _ 4434
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2026:2561
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Parkeerbelasting. Volgens eiser is de naheffingsaanslag ten onrechte opgelegd omdat hij stond te wachten op iemand en dat is volgens eiser stilstaan zonder te parkeren. De rechtbank oordeelt dat onder parkeren wordt verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden en lossen van zaken. Omdat op het moment waarop werd geconstateerd dat de auto op de desbetreffende parkeerplek stond was geen sprake van het dadelijk in- en uitstappen van personen. Er was dus sprake van parkeren ter zake waarvan de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Beroep ongegrond.
Uitspraak
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: ALK 24/4434
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
12 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Hoorn, verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 2 april 2024 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2026.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam] .
Eiser is niet verschenen. Eiser is door de griffier bij bericht van 12 december 2025, onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Eiser is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Tot het digitale dossier behoort een
e-mailnotificatie waaruit blijkt dat het bericht naar het door eiser opgegeven e-mailadres is gestuurd. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser tijdig en op de juiste wijze uitgenodigd om de zitting bij te wonen.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. Op 3 januari 2024 om 9:35 uur stond de auto van eiser, met het kenteken
[#] (hierna: de auto), op een parkeerplek aan het Kerkplein te Hoorn. Voor parkeren op die locatie wordt parkeerbelasting geheven. Omdat de auto van eiser daar stond zonder dat parkeerbelasting was voldaan heeft verweerder eiser de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd.
2. De naheffingsaanslag is gedagtekend 15 februari 2024. Eiser heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt en op 2 april 2024 heeft verweerder uitspraak op het bezwaar gedaan. Op 21 mei 2024 heeft eiser daartegen langs digitale weg beroep ingesteld.
3. In geschil is of het beroep ontvankelijk is en zo ja, of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
4. De wettelijke termijn waarbinnen een beroepschrift moet worden ingediend is zes weken. Is een beroepschrift niet tijdig in gediend dan is het beroep niet-ontvankelijk, tenzij sprake is van één of meer omstandigheden als bedoeld in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de termijnoverschrijding niet aan eiser is te wijten en niet-ontvankelijkverklaring daarom achterwege moet blijven.
5. De uitspraak op bezwaar is gedagtekend 2 april 2024 en de beroepstermijn eindigde daarmee op 14 mei 2024. Het beroepschrift is op 21 mei 2024 en dus niet binnen de wettelijke termijn ingediend. Eiser heeft aangevoerd dat hij de uitspraak op bezwaar pas op 16 april 2024 heeft ontvangen en dus binnen zes weken beroep heeft ingesteld. Verweerder heeft een verklaring overgelegd van de desbetreffende ambtenaar die daarin verklaart dat de uitspraak op 29 maart 2024 is “klaargezet voor verzending in AA Printmap Corona”.
6. De bewijslast voor het verzenden van de uitspraak op bezwaar ligt bij verweerder. De rechtbank overweegt dat het klaarzetten voor verzending nog geen verzending is. Hetgeen verweerder verder heeft aangevoerd is onvoldoende om de tijdige verzending aannemelijk te achten. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder daarom niet geslaagd in het van hem te verlangen bewijs dat de uitspraak op bezwaar op of rond 29 maart 2024 is verstuurd. Uitgaande van bekendmaking op 16 april 2024 is het beroep tijdig ingesteld. Het beroep is daarom ontvankelijk en de rechtbank komt daarmee toe aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak.
7. Eiser heeft aangevoerd dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd omdat hij stond te wachten op iemand en dat is volgens eiser stilstaan zonder te parkeren. Dit standpunt is onjuist. Op grond van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet wordt onder parkeren verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden en lossen van zaken.
8. Op het moment waarop werd geconstateerd dat de auto op de desbetreffende parkeerplek stond was geen sprake van het dadelijk in- en uitstappen van personen. Naar eigen zeggen wachtte eiser op iemand, maar op de foto die is gemaakt bij de controle is te zien dat op dat moment niemand in of bij de auto aanwezig was. Er kan dus worden aangenomen dat de auto een aaneengesloten periode op de parkeerplek heeft gestaan. Op grond van de zojuist aangehaalde bepaling uit de Gemeentewet stond de auto dus geparkeerd in de zin van die bepaling en was daarvoor parkeerbelasting verschuldigd. De naheffingsaanslag is dus terecht opgelegd en het beroep is daarom ongegrond verklaard.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, rechter, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.
griffier rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
-
bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
-
het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
-
de naam en het adres van de indiener;
-
de datum van verzending;
-
een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
-
e redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).