Belastingrecht

Kindregeling. Beroep op herziening slaagt niet, nu geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde…

Rechtbank Noord-Holland, 4 maart 2026

Zaakgegevens

Op 4 maart 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
4 maart 2026
Datum publicatie
13 april 2026
Zaaknummer
HAA 24/6784
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:3857
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Kindregeling. Beroep op herziening slaagt niet, nu geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden en herziening ook niet mogelijk is op grond van de Wht of artikel 21 van de Awir. Beroep ongegrond.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 24/6784

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. N. Kose-Albayrak),

en

Dienst Toeslagen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 mei 2024 heeft verweerder het verzoek van eiser om herziening van verweerders eerdere beschikking van 30 november 2022 afgewezen.

Verweerder heeft bij beslissing op bezwaar van 9 september 2024 eisers bezwaar hiertegen ongegrond verklaard.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eisers gemachtigde heeft bij brief van 6 januari 2026 aangegeven dat zij en haar cliënt niet aanwezig zullen zijn bij de zitting. Hierna heeft verweerder per e-mail van 19 januari 2026 te kennen gegeven dat de zaak inhoudelijk kan worden afgedaan zonder zitting. De rechtbank heeft daarom bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is zoon van een gedupeerde van de toeslagenaffaire.

2. Bij besluit van 30 november 2022 heeft verweerder aan eiser bij beschikking ambtshalve een tegemoetkoming toegekend van € 10.000 (het tegemoetkomingsbesluit). De tegemoetkoming is gebaseerd op afdeling 2.2 van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht). Dit wordt de Kindregeling genoemd.

3. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het tegemoetkomingsbesluit. Verweerder heeft dit bezwaar op 18 april 2023 ongegrond verklaard.

4. Eiser heeft bij deze rechtbank beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van 18 april 2023. De rechtbank heeft op 25 januari 2024 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het beroep te laat is ingediend.

5. Op 1 februari 2024 heeft eiser een herzieningsverzoek ingediend tegen het tegemoetkomingsbesluit.

6. Tot de gedingstukken behoort een e-mail van 25 maart 2024. Daarin vraagt verweerder aan de gemachtigde van eiser of er sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderende omstandigheden (hierna: nova) die na het besluit zijn voorgevallen of feiten en omstandigheden die weliswaar voor het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar niet voor dat besluit konden worden aangevoerd.

7. De gemachtigde van eiser reageert hierop in een e-mail van 8 april 2024. Daarin geeft gemachtigde onder meer aan dat er geen sprake is van herzieningsprocedure in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), maar dat zowel de Wht als artikel 21a van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) de mogelijkheid bieden om een herzieningsverzoek in te dienen. Daarvoor hoeven geen nova te worden aangevoerd, aldus de gemachtigde.

8. Op 6 mei 2024 wijst verweerder het herzieningsverzoek af.

9. Eiser maakt op 14 juni 2024 bezwaar tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek.

10. Verweerder verklaart eisers bezwaar op 9 september 2024 ongegrond.

Beoordeling van het geschil

11.
In geschil is of verweerder het herzieningsverzoek terecht heeft afgewezen.

12. Eiser brengt in beroep inhoudelijke standpunten over de Kindregeling naar voren.

13. De rechtbank moet eerst de vraag beantwoorden of aan de voorwaarden voor een herziening is voldaan. Pas daarna kan zij toekomen aan de inhoudelijke standpunten over de Kindregeling.

14. Daarvoor kijkt de rechtbank naar artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Daarin staat dat indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan Dienst Toeslagen, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, de aanvraag onder verwijzing naar zijn eerste beschikking worden afgewezen.

15. Eiser, de aanvrager, heeft in het beroepschrift aangevoerd dat de vergoeding op grond van de Kindregeling te laag is, dat het persoonlijk dossier van eisers ouders moet worden verstrekt, dat de hardheidsregeling van artikel 9.1 van de Wht moet worden toegepast en dat de bezwaarprocedure bij voorbaat inhoudsloos is, dan wel dat sprake is van hardheid van het stelsel en dat hij recht heeft op vergoeding van immateriële schade.

16. Daarin ziet de rechtbank geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Ook zijn deze niet op andere wijze aangevoerd.

17. Een beroep op herziening op grond van de Wht of artikel 21a van de Awir kan niet slagen. De Wht biedt namelijk zelf geen mogelijkheden voor herziening van een tegemoetkoming op basis van de Kindregeling. Artikel 21a van de Awir bepaalt dat in bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen de Dienst Toeslagen een toegekende of herziene tegemoetkoming die onherroepelijk is geworden herziet in het voordeel van de belanghebbende. Maar er is geen ministeriële regeling waarin toepassing van de Kindregeling wordt aangemerkt als geval waarin herziening mogelijk is.

18. Daarom is de rechtbank van oordeel dat verweerder het herzieningsverzoek terecht heeft afgewezen onder verwijzing naar de eerste beschikking. De rechtbank komt niet aan de inhoudelijke standpunten toe.

Conclusie

19. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt.

Proceskosten

20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Richters, rechter, in aanwezigheid van

mr. F.C. Claushuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.