Belastingrecht
Parkeerbelastingen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond maar beslist dat verweerder het griffierecht…
Rechtbank Noord-Holland, 18 juni 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:7658 · Rechtbank Noord-Holland · 18 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-holland/bestuursrecht/belastingrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbnho-2026-7658
Zaakgegevens
Op 18 juni 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-HollandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Alkmaar
- Datum uitspraak
- 18 juni 2026
- Datum publicatie
- 25 juni 2026
- Zaaknummer
- AWB - 24 _ 6044
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2026:7658
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Parkeerbelastingen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond maar beslist dat verweerder het griffierecht wel moet vergoeden omdat hij in de uitspraak op bezwaar onvoldoende is ingegaan op de bezwaargronden van belanghebbende.
Uitspraak
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: ALK 24/6044
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Cocensus, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd, ten bedrage van € 73,74 waarvan € 0,84 voor belasting en € 72,90 voor kosten van de naheffing.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2026 te Alkmaar. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam] .
Belanghebbende is zonder bericht aan de rechtbank niet verschenen. De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting onderzocht of belanghebbende behoorlijk is uitgenodigd voor de zitting. De uitnodiging voor de zitting, met vermelding van plaats en tijdstip, is op 9 maart 2026 in Mijn Rechtspraak geplaatst. Van de plaatsing van de uitnodiging in Mijn Rechtspraak is eveneens op 9 maart 2026 om 15:53 uur een e-mailnotificatie verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Nu uit het voorgaande volgt dat belanghebbende tijdig en op de voorgeschreven wijze is uitgenodigd om de zitting bij te wonen, heeft de rechtbank aan het niet aanwezig zijn van belanghebbende geen gevolgen verbonden.
Overwegingen
Feiten
1. Op 12 november 2023, om 14:10 uur, stond de auto van belanghebbende, kenteken [#] (hierna: de auto), geparkeerd op een parkeerplaats aan de [straat] in Alkmaar. Aldaar kan worden geparkeerd tegen betaling van parkeerbelasting.
2. Op genoemd tijdstip is geconstateerd dat voor het parkeren geen parkeerbelasting was voldaan. Verweerder heeft belanghebbende daarom de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd.
Geschil
3. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
4. Volgens belanghebbende is dat niet het geval omdat hij nadat hij de auto had geparkeerd wilde betalen tot 15:00 uur, maar de parkeerautomaat niet werkte. Toen belanghebbende het wilde proberen bij een andere parkeerautomaat, bleken de twee andere parkeerautomaten op hetzelfde terrein ook niet te werken. Volgens belanghebbende ontstond er een carrousel van bestuurders die liepen van automaat naar automaat. Toen belanghebbende ongeveer een halfuur nadat hij de auto had geparkeerd bij de auto terug kwam wilde hij alsnog betalen, maar toen was inmiddels de naheffingsaanslag opgelegd. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag.
5. Verweerder stelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Verweerder heeft daarvoor aangevoerd dat de parkeerautomaat waar belanghebbende eerst wilde betalen het inderdaad niet deed, maar de beide andere parkeerautomaten op het terrein het wel deden. Bij zijn verweerschrift heeft verweerder de “Transactielijst parkeerautomaten T135 en T136” overgelegd. Deze lijst bevat een overzicht van de transacties van die andere twee parkeerautomaten op het desbetreffende terrein en volgens verweerder blijkt daaruit dat die parkeerautomaten gewoon werkten. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling van het geschil
6. Bij zijn bezwaar heeft belanghebbende aangevoerd dat hij de auto tussen 12:30 en 13:00 uur heeft geparkeerd. Op de onder 5 genoemde transactielijsten van verweerder zijn transacties vermeld van twee andere parkeerautomaten op het terrein die tussen 12:30 en 13:00 uur plaatsvonden. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van hetgeen op de transactielijsten is vermeld. De rechtbank maakt daaruit op dat die parkeerautomaten gewoon werkten en belanghebbende dus parkeerbelasting had moeten en kunnen betalen.et ber Het beroep dient daarom ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten en griffierecht
7. Omdat het beroep ongegrond is, is voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. Evenwel overweegt de rechtbank dat verweerder in de
uitspraak op bezwaar niet is ingegaan op het argument van belanghebbende dat de twee andere parkeerautomaten ook niet werkten. Het is zeer wel denkbaar dat, als verweerder de transactielijsten reeds tijdens de bezwaarfase aan belanghebbende had verstrekt, belanghebbende zou hebben afgezien van het instellen van beroep. De rechtbank vindt hierin aanleiding verweerder op te dragen het griffierecht aan belanghebbende de vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
? verklaart het beroep ongegrond;
? geeft verweerder opdracht aan belanghebbende het griffierecht van € 51 te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Snitker, rechter, in aanwezigheid van
H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
-
bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
-
het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
-
de naam en het adres van de indiener;
-
de datum van verzending;
-
een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
-
e redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).