Bestuursrecht overig
Voorlopige voorziening. Afwijzing verzoek opheffing signalering in paspoort. Geen grond voor toewijzing…
Rechtbank Noord-Holland, 11 juni 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:7684 · Rechtbank Noord-Holland · 11 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-holland/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/mondelinge-uitspraak/ecli-nl-rbnho-2026-7684
Zaakgegevens
Op 11 juni 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-HollandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Datum uitspraak
- 11 juni 2026
- Datum publicatie
- 25 juni 2026
- Zaaknummer
- HAA 26/2946
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Mondelinge uitspraakMondelinge uitspraakDe rechter doet direct aan het eind van de zitting uitspraak; die wordt vastgelegd in een proces-verbaal.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2026:7684
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Voorlopige voorziening. Afwijzing verzoek opheffing signalering in paspoort. Geen grond voor toewijzing voorlopige voorziening. Verzoekster heeft erkend dat zij nalatig is geweest in het nakomen van op haar rustende betalingsverplichtingen. College vermoedt naar voorlopig oordeel ook niet ten onrechte dat verzoekster zich aan de betalingsverplichtingen wil onttrekken.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/2946
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 juni 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoekster] , uit Zandvoort, dan wel Gambia, verzoekster
gemachtigde: mr. H. Yuce, advocaat te Den Haag,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zandvoort
gemachtigde: mr. A.V.R. Hagers, in dienst van de gemeente Haarlem.
Inleiding
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster in verband met de afwijzing van haar verzoek aan het college om de opheffing van de signalering van haar paspoort te verzoeken.
Het college heeft het verzoek met het besluit van 2 juni 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 juni 2026 deels met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, beiden via beeldverbinding, en de gemachtigde van het college.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter.
3. Verzoekster heeft een schuld van thans € 13.988,58, die is ontstaan uit terugvorderingen van tijdens de Coronapandemie door het college verstrekte (Tozo-)verstrekkingen. Op 21 februari 2024 heeft het college een deurwaarder aan verzoekster een dwangbevel ter invordering van de schuld doen betekenen. De deurwaarder heeft inmiddels beslag gelegd op een aan verzoekster in mede-eigendom toebehorende onroerende zaak in Zandvoort, maar uitwinning daarvan is tot heden niet succesvol geweest. Vanaf 23 januari 2026 zijn de personalia van verzoekster op verzoek van het college op grond van artikel 22, aanhef en onder c, van de Paspoortwet opgenomen in het Register paspoortsignaleringen dat berust onder de staatssecretaris van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties.
4. Anders dan het college is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de door haar gevraagde voorlopige voorziening, te weten schorsing van de signalering van haar paspoort. Daartoe is redengevend dat verzoekster op korte termijn naar Gambia wenst af te reizen. Zij heeft daarvoor een paspoort nodig en zonder schorsing van de signalering kan verzoekster niet in het bezit raken van een paspoort. Een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening kan verzoekster daarom niet worden ontzegd.
5. Het college mag een verzoek tot paspoortsignalering doen als is voldaan aan twee voorwaarden: (1) de persoon om wie het gaat moet nalatig zijn in het nakomen van betalingsverplichtingen en (2) er is een gegrond vermoeden dat deze persoon zich zal onttrekken aan de wettelijke invorderingsmogelijkheden door een verblijf buiten de grenzen van de landen van het Koninkrijk. Het college moet, bij de vraag of de signalering moet voortduren, dus toetsen of aan deze twee voorwaarden is voldaan. Daarbij is van belang dat een paspoortsignalering slechts als uiterst middel mag worden ingezet. Er mogen dus geen andere mogelijkheden (meer) zijn om iemand tot nakoming van zijn verplichtingen te dwingen.
6. De voorzieningenrechter stelt vast, hetgeen door verzoekster ook wordt erkend, dat verzoekster nalatig is geweest in het nakomen van de op haar rustende betalingsverplichtingen. Zij heeft een aantal jaar niets afgelost, terwijl zij daartoe wel had kunnen overgaan op basis van de vermogensbestanddelen die zij in (gedeeld) eigendom heeft en de huurinkomsten die zij hieruit ontvangt. Inmiddels heeft zij weliswaar aangegeven dat zij naast betalingen van € 50,- in januari, februari en maart 2026 ook sinds april € 200,- per maand zou aflossen op basis van een betalingsregeling die zij met de deurwaarder heeft getroffen, maar een en ander heeft zij niet met stukken onderbouwd. Dat verweerder dat feit ter zitting op zich niet heeft betwist, acht de voorzieningenrechter onvoldoende om te oordelen dat er geen grondslag meer zou zijn voor de signalering. Deze informatie doet op dit moment, vanwege de lage bedragen die tot heden zijn afgelost en de nog korte looptijd van de betalingsregeling, niet af aan de geconstateerde nalatigheid en de vrees dat zij onvoldoende genegen is tot terugbetaling over te gaan, althans de terugbetalingsregeling daadwerkelijk na te komen.
7. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter vermoedt het college daarbij niet ten onrechte dat verzoekster zich aan de betalingsverplichtingen wil onttrekken. Daartoe is van belang dat verzoekster regelmatig en naar het lijkt ook voor langere tijd in Gambia verblijft, hetgeen wordt bevestigd in de door verzoekster overgelegde verklaring van haar rechtshulpverleners uit Gambia, waaruit blijkt dat verzoekster van hen toestemming heeft verkregen voor haar jaarlijkse zomervakantie naar Nederland af te reizen, mits zij op tijd terug is voor de behandeling van in Gambia hangende rechtszaken. Daarbij komt dat is gebleken dat verzoekster in Gambia grond bezit en dat zij stelt ook persoonlijke banden te hebben die aannemelijk maken dat zij daar ook (merendeels) wil verblijven. Die omstandigheden geven extra grond aan het vermoeden dat zij zich door vestiging buiten Nederland aan nakoming van haar betalingsverplichtingen zal kunnen onttrekken.
8. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is er daarom geen aanleiding de signalering op het paspoort van verzoekster thans te schorsen. De voorzieningenrechter ziet in de medische situatie van de ex-partner van verzoekster geen grond voor een andersluidend oordeel. Weliswaar is zijn medische situatie met nadere informatie onderbouwd, maar daaruit valt niet af te leiden dat het juist de persoon van verzoekster moet zijn die als ex-partner voor hem moet zorgen en dat niet bijvoorbeeld een van zijn kinderen die rol op zich kan nemen. De door verzoekster opgevoerde eigendomsprocedure in Gambia is in het kader van deze procedure lastig te wegen, maar de voorzieningenrechter is er niet voldoende van overtuigd dat verzoekster haar rechten verliest als zij niet fysiek aanwezig zal kunnen zijn bij de zitting(en) die naar haar stellingen op korte termijn zullen plaatsvinden. Niet is uitgesloten dat digitale deelname aan de zitting(en) ook tot de mogelijkheden behoort. Nu verder ook geldt dat verzoekster naar voorlopig oordeel beschikt over ruim voldoende vermogensbestanddelen waarmee zij de verwijdering van de signalering kan verwezenlijken, valt de te maken belangenafweging niet in haar voordeel uit.
Conclusie en gevolgen
9. De voorzieningenrechter ziet daarom geen reden om het bestreden besluit bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen. De voorzieningenrechter ziet voorts geen grondslag om het college, zoals verzoekster subsidiair verzoekt, op te dragen verzoekster in het bezit te stellen van een tijdelijk paspoort, reeds omdat de bevoegdheid tot verlening van een dergelijke document niet bij het college ligt. Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek af.
10. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
11. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2026 door mr. R.H.M. Bruin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: